Algemene woordenlijst - allgemeine Wortliste
QUIZZEN: Duits-Nederlands deel 1 - deel 2 - deel 3 - deel 4 - deel 5 - deel 6 - deel 7 - deel 8
QUIZZEN: Nederlands-Duits deel 1 - deel 2 - deel 3 - deel 4 - deel 5 - deel 6 - deel 7 - deel 8
Voor deze en alle andere woordenlijsten gelden de volgende uitgangspunten:


Algemene woordenlijst (deel 1)
Duits Nederlands
Welt (f) wereld
Erde aarde [alle betekenissen]
Sonne zon
Mond (m) [+e] maan
Stern (m) ster
Planet Z planeet
Raum (m) ruimte [alle betekenissen]
Existenz bestaan
Leben leven
Tod (m) dood
Liebe liefde
Hass haat
Tier dier
Geist (m) geest
Verstand verstand
Buch [Bücher] boek
Zeitung krant, nieuwsblad
Brief (m) brief
Geschenk geschenk, cadeau
Karte kaart [alle betekenissen]
Sprache taal; spraak
Wort woord [let., meervoud Wörter; fig., meervoud Worte]
Satz (m) zin [taalkunde] [ook: stelling, these; beweging [muziek]; set [o.a. sport]; bezinksel; tarief; sprong]
Text (m) tekst
Gespräch gesprek
Gedicht gedicht
Buchstabe Z letter
Kunst (f) [Künste] kunst
Schönheit schoonheid
Friede(n) (Z) vrede [de zwakke vorm Friede is niet meer zo gebruikelijk]
Freiheit vrijheid
Wahrheit waarheid
Wirklichkeit werkelijkheid, realiteit
Realität realiteit, werkelijkheid
Gesundheit gezondheid
Krankheit ziekte
Hoffnung hoop, verwachting [meervoud Hoffnungen wordt regelmatig gebruikt]
Vertrauen vertrouwen
Wissen kennis, weten
Problem probleem
Lösung oplossing [alle betekenissen] [ook: ontbinding (van een contract/verdrag); het losmaken]
Form (f) vorm [alle betekenissen]
Antwort (f) antwoord
Reise reis
Fahrt (f) rit, tocht, reis; vaart, gang, snelheid [ook: het rijden, het varen]
Hilfe hulp, steun, bijstand
Traum droom
Lüge leugen
Abschied (m) afscheid
Kritik kritiek
Bedeutung betekenis [ook: belang]
Kuss kus, zoen
Umarmung knuffel, omhelzing
Gruß groet
Sprung sprong; barst
Schlaf slaap
Wunsch wens
Lächeln glimlach
Vorzug (m) voorkeur; voordeel, goede eigenschap; voorrecht [soms: extra trein]
Besuch [+e] bezoek, visite
Ankunft aankomst, komst
Abreise vertrek
Abfahrt vertrek [ook: afdaling, helling [skiën]; afrit [snelweg]; afvoer, transport]
Beginn begin, aanvang
Anfang begin, aanvang
Begegnung ontmoeting
Treffen ontmoeting, bijeenkomst
Übersetzung vertaling [ook: overbrenging [techniek]]
Tradition traditie

Algemene woordenlijst (deel 2)
Duits Nederlands
Idee idee
Konzept concept
Zukunft toekomst
Vergangenheit verleden
Gegenwart (f) heden; aanwezigheid
Anwesenheit aanwezigheid
Präsenz aanwezigheid
Abwesenheit afwezigheid
Mittel middel [ook: gemiddelde [wiskunde]; in meervoud ook: financiële middelen]
Ziel doel, bedoeling, doelwit, bestemming [ook: finish]
Zweck (m) doeleinde, bedoeling [ook: zin, nut]
Absicht intentie, bedoeling
Bestimmung bepaling; bestemming, doel
Situation situatie
Zustand toestand
Umstand omstandigheid
Lage ligging; situatie; laag
Grund (m) reden; grond, bodem [ook: fundament, grondslag; achtergrond]
Ursache oorzaak [soms: reden]
Folge gevolg; opeenvolging [soms: aflevering, episode]
Anlass (m) aanleiding, reden; gelegenheid
Ergebnis resultaat, uitkomst, uitslag
Resultat resultaat, uitkomst, uitslag
Wirkung effect, (uit)werking
Effekt (m) effect, (uit)werking
Erfolg (m) succes
Reihe rij, reeks
Reihenfolge volgorde
Ordnung orde, ordening
Chaos (n) chaos
Ursprung oorsprong
Herkunft herkomst, afkomst
Qualität kwaliteit
Quantität kwantiteit, hoeveelheid
Menge hoeveelheid; menigte [informeel: (een) hoop, veel]
Masse massa [alle betekenissen]
Chance ({FR}) kans
Möglichkeit mogelijkheid
Gelegenheit gelegenheid
Nutzen (m) nut
Vorteil (m) voordeel
Nachteil nadeel
Bewusstsein bewustzijn, besef
Gewissen geweten
Energie energie
Kraft (f) kracht
Macht (f) macht
Gewalt (f) geweld; macht, gezag, autoriteit
Prinzip principe, beginsel
Merkmal kenmerk
Eigenschaft eigenschap [ook: hoedanigheid]
Technik techniek
Technologie technologie
Theorie theorie
Praxis (f) praktijk [ook: praktijkervaring; praktijkruimte]
Information informatie, inlichting(en) [ook: informatieloket]
Auskunft informatie, inlichting(en) [ook: informatieloket]
Daten (n-pl) gegevens, data
Teil (m/n) deel, gedeelte [m: abstract, deel v.e. geheel], onderdeel [n: concreet, afzonderlijk]
Übersicht overzicht
Überblick (m) overzicht

Algemene woordenlijst (deel 3)
Duits Nederlands
Aktualität actualiteit
Wohlstand welvaart, welstand, voorspoed
Wohl(ergehen) welzijn, welbevinden
Tat (f) daad
Tatsache feit
Aktion actie
Ewigkeit eeuwigheid
Vielfalt (f) verscheidenheid, diversiteit
Diversität verscheidenheid, diversiteit
Einheit eenheid [alle betekenissen]
Verantwortung verantwoording, verantwoordelijkheid
Verantwortlichkeit verantwoordelijkheid
Unabhängigkeit onafhankelijkheid
Selbstständigkeit zelfstandigheid
Glück geluk, voorspoed
Unglück ongeluk, tegenspoed, tegenslag, pech, ongeval
Krieg (m) oorlog
Wissenschaft wetenschap
Sicherheit veiligheid, beveiliging; zekerheid
Zuverlässigkeit betrouwbaarheid
Beziehung betrekking, relatie
Verhältnis (n) verhouding [alle betekenissen; in meervoud ook: omstandigheden]
Aufklärung opheldering, verklaring, voorlichting, verkenning [ook: Verlichting [Eeuw van de Rede]]
Umwelt (f) milieu, (leef)omgeving
Umgebung omgeving, buurt
Einrichtung instelling; voorziening; inrichting [ook: gebruik, gewoonte]
Kultur cultuur, beschaving [ook: verbouw [landbouw], kweek [microbiologie]]
Politik politiek; beleid
Wirtschaft economie, bedrijfsleven [ook: café, huishouding, boerenbedrijf]
Ökonomie economie [soms: zuinigheid]
Geschichte geschiedenis; verhaal
Philosophie filosofie, wijsbegeerte
Recht recht
Gerechtigkeit gerechtigheid, rechtvaardigheid
Rechtsprechung rechtspraak, jurisprudentie
Prozess (m) proces [vaak in de betekenis: rechtszaak]
Gesetz (n) wet
Notwendigkeit noodzaak, noodzakelijkheid
Dienstleistung dienst, dienstverlening
Leistung prestatie; vermogen [natuurkunde] [ook: uitkering]
Erholung herstel, ontspanning, recreatie
Tourismus toerisme
Fremdenverkehr (m) toerisme
Landwirtschaft landbouw [ook: boerenbedrijf]
Gesamtheit geheel, totaliteit
Armut (f) armoede
Reichtum (m) rijkdom
Ding ding
Sache zaak [alle betekenissen; in meervoud meestal: dingen, spullen]
Gegenstand voorwerp, object; onderwerp, thema
Generation generatie
Gegensatz (m) tegenstelling, contrast
Widerspruch tegenspraak, tegenstrijdigheid
Inhalt inhoud [let.+fig.]
Substanz substantie, stof, materie [ook figuurlijk: hoofdzaak, kern]
Bildung vorming, ontwikkeling
Ausbildung opleiding, scholing [ook: vorming, ontwikkeling]
Erziehung opvoeding, educatie
Unterricht onderwijs, les, onderricht

Algemene woordenlijst (deel 4)
Duits Nederlands
Sklaverei slavernij
Nachricht (f) nieuws, bericht, boodschap [betekenis 'nieuws' vaak in meervoud]
Werbung reclame [ook: (aan)werving]
Fest feest, festival
Feier (f) feest, viering, plechtigheid
Party (f) {EN} feestje
Platz (m) plaats, plek [ook: plein]
Sucht (f) verslaving, ziekelijke neiging
Abhängigkeit afhankelijkheid; verslaving
Abenteuer avontuur
Vereinigung vereniging [eenwording; unie]
Verein (m) vereniging, club
Steuer (n) stuur, roer
Fehler (m) fout
Gruppe groep
Einsicht inzicht; inkijk, inzage
Einblick (m) inzicht; inkijk, inzage
Erkenntnis (f) inzicht, besef, kennis
Auftrag opdracht, taak; bestelling, order
Aufgabe opgave [alle betekenissen; ook: afgifte]
Kriminalität criminaliteit, misdaad
Verbrechen misdrijf, misdaad
Fall val; geval; naamval
Zufall toeval
Unfall ongeval, ongeluk
Vorfall incident, voorval
Zwischenfall incident, voorval
Ereignis (n) gebeurtenis, voorval
Erlebnis (n) belevenis, ervaring
Erfahrung ervaring, ondervinding
Verzeichnis (n) lijst, register, index
Alter (n) leeftijd, ouderdom
Alltag (m) dagelijks leven, dagelijkse sleur
Aktivität activiteit
Tätigkeit activiteit, bezigheid, werkzaamheid
Aufmerksamkeit aandacht, oplettendheid, opmerkzaamheid [ook: attentie, cadeautje]
Beachtung aandacht, inachtneming
Achtung respect, aanzien, eerbied [ook: attentie!, opgelet!]
Schaden (m) schade, beschadiging [ook: nadeel, schadepost]
Abstand afstand, tussenruimte [ook: tussenpoos, tijdsverschil]
Entfernung afstand; verwijdering
Distanz afstand
Finsternis (f) duisternis; verduistering [astronomie]
Dunkelheit duisternis [ook, figuurlijk: somberheid]
Geheimnis (n) geheim
Kenntnis (f) kennis
Anzeige advertentie, kennisgeving; aangifte [bij politie]; afleesvenster, display
Inserat (n) advertentie
Annonce advertentie
Elektrizität elektriciteit
Strom stroom [alle betekenissen]
Voraussetzung voorwaarde, vereiste; veronderstelling
Urlaub (m) vakantie, verlof
Ferien (pl) {iə} vakantie
Beförderung vervoer, transport; promotie, bevordering
Auswahl (f) selectie, keuze, assortiment
Name Z naam
Vorgang proces [ook: dossier]
Vorgehen handelwijze, aanpak, benadering

Algemene woordenlijst (deel 5)
Duits Nederlands
Zeug (n) [informeel] spul(len), troep, zooi [verouderd: kleren; gereedschap]
Bedingung voorwaarde, conditie [als meervoud ook: omstandigheden]
Liste lijst
Beispiel (n) voorbeeld
Vorbild voorbeeld, rolmodel
Licht licht
Neugier(de) (f) nieuwsgierigheid
Mut (m) moed
Weisheit wijsheid
Intelligenz intelligentie
Vernunft (f) verstand, rede, redelijkheid
Mitleid medelijden, mededogen
Mitgefühl medeleven, mededogen, compassie, sympathie
Erbarmen medelijden, mededogen, genade
Gnade genade, gunst, gratie
Schmerz [+en] pijn [lichamelijk (meestal in meervoud) en geestelijk]
Humor (m) humor
Eindruck indruk, impressie [soms letterlijk: indruk]
Wahnsinn (m) waanzin, krankzinnigheid
Irrsinn waanzin, krankzinnigheid
Treue trouw
Loyalität loyaliteit
Geduld (f) geduld
Stolz (m) trots [ook als bijv.nw.]
Maßnahme maatregel
Regel (f) regel [niet taalkundig; ook: menstruatie]
Basis (f) basis [alle betekenissen]
Grundlage basis, grondslag
Struktur structuur
Gefahr (f) gevaar
Risiko [-ken] risico
Verabredung afspraak
Termin (m) afspraak, datum, tijdstip, deadline [vastgesteld (eind)moment]
Meinung mening, opinie
Ansicht mening [ook: aanzicht; afbeelding, prent]
Essenz essentie [ook: plantaardig aftreksel, essence]
Elend (n) ellende
Zentrum centrum [alle betekenissen]
Mittelpunkt (m) middelpunt [let.+fig.]
Schuld (f) schuld [alle betekenissen]
Moment (m/n) moment, ogenblik [als onzijdig woord: 'doorslaggevende omstandigheid/gezichtspunt']
Augenblick (m) ogenblik, moment
Rabatt (m) korting
Preisnachlass korting
Ermäßigung korting, verlaging, matiging
Ausnahme uitzondering
Stätte (bijzondere) plek
Loch gat [ook: krot; hol; hole [golf]; gevangenis [informeel]]
Grube kuil [ook: mijn, groeve [mijnbouw]]
Art (f) wijze, manier; aard, manier van doen; soort [o.a. biologie]
Weise wijze, manier; wijs, melodie
Typ (m) [+en] type; vent, kerel [informeel]
Stil (m) stijl
Sinn (m) zintuig; zin [betekenis, nut]; gevoel (voor); gedachte, geest
Mal (n) maal, keer [ook: teken; (moeder)vlek]
Gesellschaft samenleving, maatschappij; gezelschap; genootschap; vennootschap
Gemeinschaft gemeenschap
Rest (m) rest
Frage vraag; vraagstuk, kwestie
System systeem, stelsel
Prüfung toets(ing), test, examen, tentamen, onderzoek, controle, keuring [ook: beproeving]
Beweis bewijs, blijk
Nachweis bewijs
Kategorie categorie
Verhalten gedrag, houding
Emotion emotie

Algemene woordenlijst (deel 6)
Duits Nederlands
Paar paar, koppel
Wille Z wil
Sicht (f) zicht, uitzicht; visie
Aussicht uitzicht; vooruitzicht
Druck druk [alle betekenissen]
Form (f) vorm [alle betekenissen]
Gestalt (f) gestalte, gedaante, vorm, voorkomen
Missverständnis misverstand, misvatting
Irrtum (m) [-tümer] misvatting, vergissing
Grenze grens
Ende (n) einde
Frist (f) termijn, deadline, uitstel
Begriff begrip, term, concept, voorstelling
Anordnung ordening, rangschikking; bepaling, voorschrift
Einstufung indeling, classificatie, rangschikking
Witz (m) grap, mop [ook: geestigheid, gevatheid]
Scherz grap
Fantasie, Phantasie fantasie, verbeelding
Vorstellungskraft fantasie, verbeelding
Punkt (m) [+e] punt [in vele betekenissen, o.a.: stip]
Rad [Räder] wiel [ook: rad, radslag; als verkorting van Fahrrad: fiets]
Foto (n) foto
Bild [+er] beeld, afbeelding, plaatje, aanblik
Staub (m) stof
Pulver poeder [als verkorting van Schießpulver: buskruit; informeel ook: geld]
Schatten (m) schaduw
Träne traan
Rakete raket [ook: vuurpijl]
Linie {iə} lijn [ook: linie]
Streifen (m) streep, strook
Nummer (f) nummer
Zahl (f) getal; aantal
Anzahl aantal
Ziffer (f) cijfer
Betrag (m) bedrag
Summe som
Adresse adres
Anschrift (f) adres
Postkarte briefkaart, ansichtkaart
Zettel (m) briefje
Presse pers [apparaat; gedrukte media]
Medien (n-pl) {iə} media
Ehe huwelijk
Hochzeit (f) bruiloft, trouwerij [soms, fig.: hoogtij, bloeitijd]
Netz net; netwerk
Netzwerk netwerk
Unheil onheil, ramp, rampspoed
Katastrophe ramp, calamiteit, catastrofe
Albtraum, Alptraum nachtmerrie
Comic(strip) (m) strip(verhaal)
Schicht (f) laag; (ploegen)dienst
Gewebe (n) weefsel [textiel; biologie]
Pfeil (m) pijl [voorwerp; symbool]
Bogen (m) boog [alle betekenissen] [ook: strijkstok; blad papier]
Gleichgewicht evenwicht
Quarantäne quarantaine
Modell model [alle betekenissen]
Versuch [+e] poging, experiment, proef, probeersel
Schatz schat [let.+fig.]
Geburt (f) geboorte, bevalling [ook fig. geboorte; soms: afkomst]
Entbindung bevalling, verlossing; ontheffing, opheffing, ontslag [van een verplichting]

Algemene woordenlijst (deel 7)
Duits Nederlands
Symbol [+e] symbool
Sinnbild symbool
Zeichen teken
(Ver)bindung verbinding, binding
Schnitzer (m) [informeel] blunder, flater [ook: houtsnijder]
Ehre eer
Zeichnung tekening
Skizze schets
Gemälde (n) schilderij
Porträt portret
Kapazität capaciteit [alle betekenissen] [soms: expert, autoriteit]
Kompetenz competentie, bevoegdheid, bekwaamheid
Fähigkeit bekwaamheid, vaardigheid, capaciteit, vermogen
Geschick (n) handigheid, vaardigheid, bekwaamheid; lot, noodlot [formeel]
Schicksal lot, noodlot
Los lot, loterijbriefje; (nood)lot [formeel]; partij, kavel [economie]
Beerdigung begrafenis, uitvaart
Begräbnis (n) begrafenis
Bestattung uitvaart, begrafenis
Beisetzung uitvaart, begrafenis, bijzetting
Friedhof (m) kerkhof, begraafplaats
Grab [Gräber] graf
Grabstätte graf
Leiche lijk
Leichnam (m) [+e] lijk [formeel, respectvol]
Anlage aanleg [het aanleggen; talent]; installatie; plan, ontwerp; park, plantsoen; bijlage; belegging
Status (m) status
Stelle plek, plaats; betrekking, baan; cijfer, decimaal; passage, fragment
Nachhaltigkeit duurzaamheid
Krise crisis
Diskriminierung discriminatie
Rassismus racisme
Rasse ras
Gattung geslacht, soort, genre
Klasse klasse, klas [alle betekenissen]
Geschlecht [+er] geslacht, sekse [ook: woordgeslacht; generatie, familie]
Sex (m) seks, seksualiteit [informeel ook: sexappeal; soms: sekse, geslacht]
Se­xu­a­li­tät seksualiteit
Geschlechtsverkehr (m) geslachtsgemeenschap
Fortpflanzung voortplanting [ook van bijv. licht- of geluidsgolven]
Romantik romantiek
Leidenschaft hartstocht, passie, gedrevenheid
Passion passie
Begeisterung enthousiasme, geestdrift, bezieling
Genuss (m) genot; gebruik, consumptie [voedsel, drank, genotmiddel]
Wonne [formeel] genot, vreugde, (geluk)zaligheid
Freude vreugde, blijdschap, plezier, genoegen
Vergnügen genoegen, plezier
Lust (f) [Lüste] zin, lust, verlangen, plezier
Sehnsucht (f) verlangen [vooral bij heimwee/nostalgie]
Begierde begeerte, verlangen
Verlangen verlangen, behoefte
Be­dürf­nis (n) behoefte, verlangen
Be­darf behoefte [ook: vraag [economie]]
Freizeit vrije tijd
Muße vrije tijd, innerlijke rust [vrij zijn van elke vorm van 'moeten']
Hobby (n) hobby
Luxus (m) luxe, weelde
Stille stilte
Ruhe rust, stilte, kalmte
Feierabend (m) rusttijd na het werk, einde van de werkdag, sluitingstijd
Freundschaft vriendschap
Lektion les
Seite (zij)kant, zijde; bladzijde, pagina
Gefühl gevoel
Gedanke Z gedachte

Algemene woordenlijst (deel 8)
Duits Nederlands
Pause pauze [soms: kopie]
Rast (f) rust, pauze
Schwierigkeit moeilijkheid
Anstrengung inspanning
Mühe moeite
Bemühung inspanning, poging, moeite
Spannung spanning [alle betekenissen]
Identität identiteit
Projekt project
Entwurf ontwerp, plan, schets
Option optie
Belastung belasting, last [fysiek; mentaal; financieel, eventueel fiscaal]
Last (f) last, belasting, lading [fysiek; mentaal; financieel/fiscaal [meestal in meervoud]]
Ladung lading, last, vracht [ook: elektrische lading; springlading; juridisch: dagvaarding]
Stufe peil, niveau, trap, graad, fase; (trap)trede [ook: rakettrap]
Vorname Z voornaam
Familienname Z {iə} achternaam, familienaam
Nachname Z achternaam, familienaam
Zuname Z achternaam, familienaam
Kurs (m) [+e] koers [route, richting; ook fig.]; cursus [ook: parcours; wisselkoers]
Wert (m) waarde [alle betekenissen]
Thema thema
Detail [+s] detail
Einzelheit detail
Spur (f) spoor [alle betekenissen]
Umfrage peiling, enquête, rondvraag
Kästchen hokje, vakje [ook: kistje, bakje, doosje]
Solidarität solidariteit, saamhorigheid
Panik paniek
Reaktion reactie
Unglaube Z ongeloof
Stimmung stemming, sfeer [ook: stemming v.e. muziekinstrument]
Laune humeur, stemming, bui, gril
Talent talent [gave; begaafd persoon]
Begabung talent [gave; begaafd persoon]
Gabe talent, gave; gift, geschenk, aalmoes [ook: dosis, toediening [medicatie]]
Spende donatie, gift, schenking, bijdrage
Haltung houding [lichaam; gedrag] [soms: het houden (van bijv. dieren)]
Unterhaltung gesprek; vermaak, vertier, amusement; onderhoud
Eingang ingang, toegang; begin, inleiding [ook: binnenkomst/ontvangst (van post); als meervoud: ingekomen stukken]
Einstieg instap, opstap, ingang, toegang [ook figuurlijk]
Ausgang uitgang; afloop, einde, uitkomst [ook: uitgangspunt; het uitgaan]
Ausstieg uitstap, uitgang [ook figuurlijk]
Position positie [alle betekenissen]
Sitzung vergadering, bijeenkomst, zitting
Versammlung vergadering, bijeenkomst
Brunnen (m) put, bron
Springbrunnen fontein
Hintergrund (m) achtergrond [let.+fig.]
Titel (m) titel [alle betekenissen]
Bereich (m) domein, terrein, gebied, bereik [let.+fig.]
Aggression agressie
Herausforderung uitdaging [opgave; provocatie, oproep tot confrontatie]
Duft (m) (aangename) geur
Geruch (m) geur; reuk(zin) [ook, verouderd: reputatie]
Gestank (m) stank
Diskussion discussie
Aussprache uitspraak; discussie, gesprek, debat
Analyse analyse
Pflicht (f) plicht
Verplichtung verplichting, verbintenis