Voltooid tegenwoordige en voltooid verleden tijd - das Perfekt und das Plusquamperfekt

Voltooid tegenwoordige tijd - das Perfekt

Vorming: Präsens van haben of sein + voltooid deelwoord.

Het Perfekt is de Duitse voltooid tegenwoordige tijd.
Het wordt gebruikt voor gebeurtenissen die in het verleden hebben plaatsgevonden en waarvan het resultaat of gevolg van belang is voor het heden.
In de spreektaal, met name in het zuidelijke Duitse taalgebied, wordt het Perfekt bovendien vaak gebruikt in de plaats van het Präteritum.

Sie ist begeistert geblieben. = Zij is enthousiast gebleven.
Wir haben weitergemacht. = We zijn doorgegaan.
Ich habe den Start gesehen = Ik heb de lancering gezien.

Zie de pagina over hulpwerkwoorden haben en sein voor meer voorbeelden.



Voltooid verleden tijd - das Plusquamperfekt

Vorming: Präteritum van haben of sein + voltooid deelwoord.

Het Plusquamperfekt is de Duitse voltooid verleden tijd.
Het wordt gebruikt voor gebeurtenissen die op een moment in het verleden reeds hadden plaatsgevonden.

Het Plusquamperfekt wordt vaak gecombineerd met een Präteritum of Perfekt.
Onderstaand vier varianten van een samengestelde zin met een Plusquamperfekt en een Präteritum.
Net als in het Nederlands wordt in een Duitse bijzin de persoonsvorm naar achteren verplaatst.

Nachdem ich mir die Zähne geputzt hatte, ging ich ins Bett. = Nadat ik mijn tanden had gepoetst (of: gepoetst had), ging ik naar bed.
Ich ging ins Bett, nachdem ich mir die Zähne geputzt hatte. = Ik ging naar bed, nadat ik mijn tanden had gepoetst (of: gepoetst had).
Ich hatte mir die Zähne geputzt, bevor ich ins Bett ging. = Ik had mijn tanden gepoetst, voordat ik naar bed ging.
Bevor ich ins Bett ging, hatte ich mir die Zähne geputzt. = Voordat ik naar bed ging, had ik mijn tanden gepoetst.



Vervangende infinitief - der Ersatzinfinitiv

In combinatie met de infinitief van een ander werkwoord komt een modaal (hulp)werkwoord zelf ook in de infinitief te staan.
Zo'n constructie in het Perfekt en Plusquamperfekt bevat geen voltooid deelwoord maar wel twee opeenvolgende infinitieven.
Een belangrijk verschil met het Nederlands is dat in het Duits het modaal (hulp)werkwoord achteraan komt:

Sie haben/hatten nicht nach Hause laufen müssen. = Ze hebben/hadden niet naar huis hoeven lopen.
Mein Bruder hat/hatte gestern gut Gitarre spielen können. = Mijn broer heeft/had gisteren goed gitaar kunnen spelen.

Naast de modale (hulp)werkwoorden zijn er meer werkwoorden die een vervangende infinitief kunnen vragen:

Er hat seinen Teamkollegen gewinnen sehen. = Hij heeft zijn teamgenoot zien winnen.

Bij sommige van die werkwoorden is de vervangende infinitief optioneel:
Er hat seinen Konkurrenten weinen hören. = Hij heeft zijn concurrent horen huilen.
Er hat seinen Konkurrenten weinen gehört. = Hij heeft zijn concurrent horen huilen.

Ich habe meinen Nachbarn aufräumen helfen. = Ik heb mijn buurman helpen opruimen.
Ich habe meinen Nachbarn aufräumen geholfen. = Ik heb mijn buurman helpen opruimen.

En nog vaker is de vervangende infinitief niet mogelijk:
Sie sind zusammen schwimmen gehen. Sie sind zusammen schwimmen gegangen. = Zij zijn samen gaan zwemmen.
Ihr habt doch lesen lernen? Ihr habt doch lesen gelernt? = Jullie hebben toch leren lezen?

Voor de inzet van extra werkwoorden in het Perfekt en het Plusquamperfekt geldt: