Voltooid deelwoord - das Partizip Perfekt

Zwak werkwoord - das schwache Verb

Vorming: stam + uitgang.

Zwak werkwoord
werkwoord vorming
standaard zwak ge + stam + t
zwak op -d of -t ge + stam + et
zwak op -ieren stam + t
zwak met onbeklemtoond voorvoegsel vv. + stam + (e)t
zwak met beklemtoond voorvoegsel vv. + ge + stam + (e)t
wohnen => gewohnt
reden => geredet; arbeiten => gearbeitet
passieren => passiert
versuchen => versucht; beenden => beendet; bedeuten => bedeutet
aufhören => aufgehört

Sterk werkwoord - das starke Verb

Vorming: (gewijzigde) stam + uitgang.

Sterk werkwoord
werkwoord vorming
standaard sterk ge + stam + en
sterk met onbeklemtoond voorvoegsel stam + en
sterk met beklemtoond voorvoegsel vv. + ge + stam + en
schwimmen => geschwommen
verstehen => verstanden
ankommen => angekommen
Bijles Duits: uitlegvideo en oefeningen (les 27)



Onregelmatige werkwoorden - die unregelmäßige Verben

sein => gewesen
haben => gehabt
werden => geworden



Modale (hulp)werkwoorden - die modalen Hilfsverben

De modale (hulp)werkwoorden en wissen gebruiken de uitgang van het zwakke werkwoord (+t) achter hun verledentijdsstam:
dürfen => gedurft
können => gekonnt
mögen => gemocht
müssen => gemusst
sollen => gesollt
wollen => gewollt
wissen => gewusst



Gemixte werkwoorden - die gemischten Verben

Gemixte werkwoorden zijn zwakke werkwoorden.
Voor de vorming van het voltooid deelwoord combineren ze de uitgang van het zwakke werkwoord (+t) echter met een gewijzigde stam:
denken => gedacht
bringen => gebracht
kennen => gekannt
brennen => gebrannt
rennen => gerannt

senden => gesandt (maar kan ook volledig zwak: gesendet)



Werkwoorden met voorvoegsel

Een werkwoord met een beklemtoond voorvoegsel wordt door -ge- gescheiden van de rest van het woord. De belangrijkste zijn:
ab, an, auf, aus, bei, ein, los, mit, nach, her, hin, vor, weg, zu, zurück
Onbeklemtoonde voorvoegsels krijgen geen toevoeging van ge-. De belangrijkste zijn:
ver, ge, be, er, ent, emp, zer, miss
Voorvoegsels waarbij klemtoon en daarmee wel of geen scheiding door -ge- afhangt van de woordbetekenis zijn met name:
durch, hinter, über, um, unter
Vanuit de Nederlandse taal zijn bovenstaande regels intuïtief vrijwel altijd gemakkelijk toe te passen.




Voltooide deelwoorden van sterke werkwoorden uit de werkwoordenlijst

(exclusief gelijke/afgeleide vormen)

Zie pagina Sterk werkw. ovt+vd voor patroonherkenning.

QUIZ: voltooid deelwoord van het Duitse sterke werkwoord
QUIZ: vertaal het voltooid deelwoord naar het Duits
kommen => gekommen
halten => gehalten
geben => gegeben
gehen => gegangen
tun => getan
trinken => getrunken
sitzen => gesessen
fliegen => geflogen
schweigen => geschwiegen
singen => gesungen
gewinnen => gewonnen
verlieren => verloren
springen => gesprungen
essen => gegessen
sprechen => gesprochen
helfen => geholfen
bleiben => geblieben
nehmen => genommen
tragen => getragen
finden => gefunden
sterben => gestorben
schlafen => geschlafen
stehen => gestanden
schreiben => geschrieben
lesen => gelesen
rufen => gerufen
laufen => gelaufen
wachsen => gewachsen
fallen => gefallen
liegen => gelegen
lassen => gelassen
fahren => gefahren
reiten => geritten
schwimmen => geschwommen
beginnen => begonnen
scheinen => geschienen
waschen => gewaschen
heißen => geheißen
sehen => gesehen
treffen => getroffen
gelingen => gelungen
schreien => geschrien (verouderd: geschrieen)
heben => gehoben
verschwinden => verschwunden
vergessen => vergessen
fliehen => geflohen
schließen => geschlossen
riechen => gerochen
stinken => gestunken
klingen => geklungen
streiten => gestritten
anbieten => angeboten
brechen => gebrochen
genießen => genossen
steigen => gestiegen
erklimmen => erklommen
verbieten => verboten
gelten => gegolten
übertreiben => übertrieben
verzeihen => verziehen
werfen => geworfen
fangen => gefangen
schlagen => geschlagen
ziehen => gezogen
schieben => geschoben
genesen => genesen
lügen => gelogen
stehlen => gestohlen
leihen => geliehen
schießen => geschossen
entscheiden => entschieden
schneiden => geschnitten
raten => geraten
gleichen => geglichen
stechen => gestochen
vermeiden => vermieden
geschehen => geschehen
graben => gegraben
wiegen => gewogen
befehlen => befohlen
bitten => gebeten
biegen => gebogen
gleiten => geglitten
beißen => gebissen
saugen => gesogen
blasen => geblasen
fließen => geflossen
leiden => gelitten
abreißen => abgerissen
betrügen => betrogen
zwingen => gezwungen
erschrecken => erschrocken
schaffen => geschaffen
unterstreichen => unterstrichen
verbinden => verbunden
ersinnen => ersonnen
laden => geladen
hän­gen => gehangen
greifen => gegriffen
schmelzen => geschmolzen
weisen => gewiesen
gebären => geboren
beitreten => beigetreten
kriechen => gekrochen