Toekomende tijden - das Futur I + II

Onvoltooid tegenwoordig toekomende tijd - das Futur I

Vorming: Präsens van werden + infinitief.

Het gebruik van het Futur I (Futur Eins) komt sterk overeen met het gebruik van de onvoltooid tegenwoordig toekomende tijd in het Nederlands.
Het Futur I wordt vooral gebruikt voor:
Es wird heute regnen. = Het zal vandaag regenen.
Ich werde morgen da sein. = Ik zal er morgen zijn.
Er wird wohl nicht kommen. = Hij zal wel niet komen.
Du wirst das nicht mehr tun! = Jij zult dat niet meer doen!

In andere gevallen worden uitspraken over de toekomst meestal met het Präsens gevormd en niet met het Futur I, zeker in de spreektaal.
Het toekomstige aspect wordt dan aangegeven met een bijwoord of bijwoordelijke bepaling van tijd, of het blijkt uit de context.




Voltooid tegenwoordig toekomende tijd - das Futur II

Vorming: Präsens van werden + voltooid deelwoord + vervoeging van haben of sein.

Net als in het Nederlands wordt deze tijdsvorm slechts incidenteel gebruikt in de schrijftaal en vrijwel niet in de spreektaal.
Het Futur II (Futur Zwei) wordt gebruikt om aan te geven dat iets in de toekomst reeds gebeurd zal of kan zijn.

Nächstes Jahr werde ich alles erledigt haben. = Volgend jaar zal ik alles hebben afgehandeld.

Daarnaast kan het Futur II worden gebruikt om een vermoeden uit te spreken over iets in het verleden.

Warum hat sie mir nicht angerufen? - Sie wird es vergessen haben. = Waarom heeft zij mij niet gebeld? - Ze zal het wel zijn vergeten.

In combinatie met het Futur I kan het Futur II een gebeurtenis in de toekomst beschrijven die zal of kan plaatsvinden voordat iets anders zal of kan gebeuren.
Met het Futur II in een bijzin wordt de persoonsvorm naar achteren verplaatst.

Wenn wir unsere Bestimming erreicht haben werden, werde ich ein Buch lesen. = Wanneer we onze bestemming bereikt (zullen) hebben, zal ik een boek (gaan) lezen.