Economie - die Wirtschaft
QUIZ: economie Duits-Nederlands
QUIZ: economie Nederlands-Duits
Economie
Duits Nederlands
Produktion productie
Verteilung distributie, verdeling, spreiding
Industrie industrie, nijverheid
Handel handel [ook: ruzie]
Ware (handels-/koop)waar, goed(eren) [vaak in meervoud]
Gut [Güter] goed, landgoed [vaak in meervoud]
Besitz bezit
Eigentum eigendom
(Be)zahlung betaling
Preis (m) prijs [alle betekenissen]
Kosten (pl) kosten
Geld [+er] geld
Währung munt(eenheid), valuta
Münze munt(stuk)
Banknote bankbiljet
Geldschein (m) bankbiljet
Haushalt begroting; huishouding, huishouden
Budget budget, begroting
Etat (m) ({FR}) budget, begroting [meestal overheid betreffend]
Steuer (f) belasting, taks
Mehrwertsteuer belasting op de toegevoegde waarde (btw) [Duitse afkorting: MwSt.]
Gebühr (f) toeslag, vergoeding, bijdrage, tarief
Entschädigung schadevergoeding, schadeloosstelling
Schaden(s)ersatz (m) schadevergoeding, schadeloosstelling
Kostenvoranschlag prijsopgave, offerte, kostenraming
Rechnung rekening, factuur, nota
Konto (n) (bank)rekening [ook: account [internet]]
Einkommen inkomen
Lohn (m) loon, salaris
Gehalt (n) salaris, loon [ook: gehalte; inhoud [fig.]]
Mindestlohn minimumloon
Betrieb (m) bedrijf, onderneming [ook: exploitatie, werking]
Unternehmen onderneming, bedrijf
Werk (n) werk, arbeid; fabriek [ook: kunstzinnig of literair werk]
Arbeit (f) arbeid, werk, klus, karwei [ook: werkstuk, proefwerk]
Job (m) [+s] {EN} [informeel] baan, baantje, werk, klus, karwei
Beruf (m) beroep
Gewerbe (n) beroep, ambacht, bedrijf, nijverheid [niet specifiek te vertalen]
Handwerk ambacht
Arbeitsvertrag arbeidsovereenkomst, arbeidscontract
Tarifvertrag collectieve arbeidsovereenkomst (cao)
Arbeitslosigkeit werkloosheid
Arbeitsunfähigkeit arbeidsongeschiktheid
Ehrenamt vrijwilligerswerk
Praktikum (n) stage
Ruhestand pensioen
Rente pensioen, uitkering
Investition investering
Versicherung verzekering
Angebot und Nachfrage (n+f) vraag en aanbod
Darlehen (n) lening
Miete huur
Umsatz (m) omzet
Gewinn winst, voordeel [ook: prijs in loterij; soms: aanwinst]
Verlust (m) verlies [ook algemeen]
Insolvenz faillissement, insolventie
Finanzen (f-pl) financiën
Kapital kapitaal
Vermögen vermogen, fortuin [ook: bekwaamheid]
Inflation inflatie
Zinsen (m-pl) rente
Aktie {iə} aandeel [waardepapier]
(Wertpapier)börse (effecten)beurs [Börse ook: beursgebouw]
Wettbewerb (m) concurrentie, mededinging [ook: wedstrijd, competitie]
Konkurrenz concurrentie
Wirtschaftswachstum (n) economische groei
Bruttoinlandsprodukt bruto binnenlands product (bbp) [Duitse afkorting: BIP]