Bijvoeglijke naamwoorden - die Adjektive
QUIZZEN: bijvoeglijke naamwoorden Duits-Nederlands deel 1 - deel 2 - deel 3 - deel 4 - deel 5
QUIZZEN: bijvoeglijke naamwoorden Nederlands-Duits deel 1 - deel 2 - deel 3 - deel 4 - deel 5
Bijvoeglijke naamwoorden (deel 1)
Duits Nederlands
neu nieuw
alt oud
jung jong
groß groot
klein klein
gut goed
schlecht slecht
richtig juist, goed, correct, echt
falsch verkeerd, fout, vals, onjuist, incorrect, onecht, nep
schön mooi, leuk, knap
hässlich lelijk [ook figuurlijk: gemeen, vervelend, onaangenaam]
toll geweldig, leuk, tof
lang lang
kurz kort
hoch hoog
niedrig laag
tief diep, laag
breit breed
schmal smal
dick dik
dünn dun
fett vet
mager mager
schwer zwaar [hoog gewicht; moeilijk]
leicht licht [laag gewicht; gemakkelijk]
voll vol
leer leeg
stark sterk [ook: flink, groot; hevig, intensief]
schwach zwak [ook: slap, flauw, matig]
schlaff slap
klug slim, wijs, verstandig, knap, intelligent
dumm dom, stom
echt echt
lieb lief
gemein gemeen [verouderd: algemeen, gewoon, gemeenschappelijk]
wahr waar
schnell snel
langsam langzaam, traag
früh vroeg
spät laat
hart hard
weich zacht, week
laut luid(ruchtig) [als vz.: volgens]
leise zacht(jes), stil(letjes), licht(jes) [nauwelijks hoorbaar, merkbaar of voelbaar]
schwierig moeilijk, lastig
einfach eenvoudig, gemakkelijk, simpel [ook: enkelvoudig; gewoon(weg)]
bereit klaar, gereed, bereid
fertig klaar, gereed, af, voltooid, compleet [informeel ook: uitgeput]
teuer duur [formeel ook: dierbaar]
billig goedkoop [ook fig.] [formeel, verouderd: billijk]
sauber schoon, net, netjes, keurig, zuiver
schmutzig vies, vuil, smerig
reich rijk
arm arm
warm warm [ook fig.: hartelijk, vriendelijk]
kalt koud, kil [ook fig.: koel, nuchter, harteloos, onvriendelijk]
nass nat
trocken droog
offen open [ook: openlijk, openhartig]
geschlossen gesloten, dicht; besloten, eensgezind, hecht
dicht dicht [met voorzetsel: dicht(bij), vlak(bij)]
nah, nahe dichtbij, nabij
fern ver(af)
weit wijd; ver(af) [ook: ruim, uitgestrekt]

Bijvoeglijke naamwoorden (deel 2)
Duits Nederlands
platt plat [ook: lek [band]; fig.: banaal, oppervlakkig]
flach vlak, plat, laag, ondiep [ook fig.: oppervlakkig]
gerade recht [ook: even (getal); als bijw.: zojuist]
krumm krom
gleich gelijk, identiek, dezelfde, hetzelfde [als bijw.: meteen, gelijk]
ähnlich soortgelijk, vergelijkbaar, gelijkend
unterschiedlich verschillend, uiteenlopend
verschieden verschillend, uiteenlopend [ook: verscheidene, meerdere]
künstlich kunstmatig, kunst-, gekunsteld
kaputt kapot, stuk, gebroken
steil steil
frisch vers, fris
kühl koel [ook figuurlijk]
(un)bekannt (on)bekend
fremd vreemd, onbekend, andermans
seltsam vreemd, eigenaardig, raar
(un)möglich (on)mogelijk
letzte laatste [soms: uiterste, slechtste]
soundsovielte [informeel] zoveelste
wertvoll waardevol, kostbaar
kostbar kostbaar, waardevol
nützlich nuttig, bruikbaar
nutzlos nutteloos
gültig geldig
gefährlich gevaarlijk
gegenseitig wederzijds, wederkerig, onderling
wechselseitig wederzijds, wederkerig, onderling
selten zeldzaam [als bijw.: zelden]
knapp krap, schaars, nauwelijks, nauw(sluitend), bondig
beeindruckend indrukwekkend
eindrucksvoll indrukwekkend
simpel simpel
frei vrij
genau precies, nauwkeurig, exact [als bijw.: precies]
präzis, präzise precies
exakt exact
normal normaal
üblich gebruikelijk
allgemein algemeen
wichtig belangrijk
interessant interessant
kompliziert ingewikkeld, gecompliceerd
langweilig saai, vervelend
nervig [informeel] vervelend, irritant, lastig [ook: pezig, gespierd]
köstlich heerlijk, smakelijk, verrukkelijk
berühmt beroemd
berüchtigt berucht
kahl kaal
glatzköpfig kaal [hoofd]
betrunken dronken
besoffen [informeel] dronken
hübsch knap, mooi, leuk [soms: aardig, behoorlijk [bijv. geldbedrag]]
grausam wreed, gruwelijk
vulgär vulgair, ordinair, grof [soms: volks-]
schlau slim, sluw
bescheiden bescheiden [als werkwoord, formeel: schenken, ontbieden, (een beslissing) meedelen]
lustig grappig, leuk, vrolijk
witzig grappig, geestig, gevat, lollig
komisch grappig, komisch; [informeel] vreemd, raar, merkwaardig
nett aardig, leuk, vriendelijk [soms: aardig, behoorlijk [bijv. geldbedrag]]
sympathisch sympathiek, aardig, vriendelijk
(un)angenehm (on)aangenaam, (on)prettig, (on)plezierig

Bijvoeglijke naamwoorden (deel 3)
Duits Nederlands
ganz heel, geheel [als bijw.: helemaal, behoorlijk]
gesamt geheel, totaal
offensichtlich duidelijk, blijkbaar, kennelijk, klaarblijkelijk
offenbar duidelijk, blijkbaar, kennelijk, klaarblijkelijk
scharf scherp [alle betekenissen] [o.a. ook: fel; geil [informeel]]
stumpf bot, stomp [ook: mat, dof]
direkt direct, rechtstreeks
unmittelbar onmiddellijk, direct, rechtstreeks
sozial sociaal, maatschappelijk
gesellschaftlich maatschappelijk, sociaal
gemeinsam gemeenschappelijk, gezamenlijk
öffentlich openbaar, publiek
neugierig nieuwsgierig [ook: benieuwd]
gratis gratis, kosteloos
kostenlos gratis, kosteloos
kostenfrei gratis, kosteloos
unentgeltlich gratis, kosteloos [soms: onbetaald]
rund rond [soms: bol] [als bijw.: ongeveer, circa]
(un)ehrlich (on)eerlijk
aufrichtig oprecht
(un)geduldig (on)geduldig
glatt glad [o.a. ook, fig.: soepel, vlot]
schlüpfrig glad, glibberig [ook: schunnig]
rutschig glad, glibberig
glitschig [informeel] glad, glibberig
fähig bekwaam, capabel, in staat
großzügig vrijgevig, gul, ruimhartig; ruim, royaal
lebend(ig) levend [lebendig ook: levendig]
tot dood
unordentlich slordig, rommelig, wanordelijk
ansteckend besmettelijk [medisch]; aanstekelijk [figuurlijk]
verfügbar beschikbaar
außergewöhnlich buitengewoon, uitzonderlijk, bijzonder
außerordentlich buitengewoon, uitzonderlijk, bijzonder [als bijw.: zeer, uitermate]
speziell speciaal, specifiek, bijzonder
besondere bijzonder, speciaal, specifiek
spezifisch specifiek
einzeln afzonderlijk, apart, los
gesondert afzonderlijk, apart
einzig enig, uniek
einzigartig uniek, uitzonderlijk
einmalig eenmalig, uniek
schmerzhaft pijnlijk [lichamelijk en geestelijk]
schmerzlich pijnlijk [geestelijk]
schlimm erg, slecht, ernstig
wunderbar prachtig, schitterend, geweldig; wonderbaarlijk
wundervoll prachtig, schitterend, geweldig
wunderschön prachtig, schitterend, beeldschoon
großartig geweldig, groots
freiwillig vrijwillig [uit vrije wil]
ehrenamtlich vrijwillig, onbezoldigd [onbetaald]
entgegengesetzt tegenovergesteld, tegengesteld
gegensätzlich tegenovergesteld, tegengesteld
umgekehrt omgekeerd, andersom
schuldig schuldig, verschuldigd
harmlos onschuldig, onschadelijk, ongevaarlijk
anstößig aanstootgevend
töricht dwaas, dom
weise wijs
vernünftig verstandig, redelijk, rationeel

Bijvoeglijke naamwoorden (deel 4)
Duits Nederlands
lecker lekker
bestimmt bepaald, beslist [ook als bijw.]
gewiss zeker [ook als bijw.]
unbedingt onvoorwaardelijk, absoluut [als bijw.: beslist, absoluut, per se]
aufrecht rechtop, overeind [soms: oprecht]
eklig weerzinwekkend, walgelijk, akelig
ekelhaft weerzinwekkend, walgelijk, akelig
widerwärtig weerzinwekkend, walgelijk, afschuwelijk
widerlich weerzinwekkend, walgelijk, afschuwelijk
furchtbar vreselijk, verschrikkelijk, ontzettend
schrecklich vreselijk, verschrikkelijk, ontzettend
entsetzlich vreselijk, veschrikkelijk, ontzettend
persönlich persoonlijk
sicher zeker; veilig [ook: zelfverzekerd; betrouwbaar]
fest vast, stevig
locker los, losjes
lose los [niet vast; niet verpakt]
ausgezeichnet uitstekend, voortreffelijk, uitmuntend
hervorragend uitstekend, voortreffelijk, uitmuntend
herausragend uitstekend, uitmuntend, vooraanstaand
korrekt correct
offiziell officieel
ernst(haft) ernstig, serieus
komplett compleet, volledig
vollständig volledig, compleet [als bijw.: helemaal]
völlig volledig, totaal [als bijw.: helemaal, volkomen]
finster duister, donker
blind blind [ook figuurlijk]
taub doof; verdoofd, gevoelloos
gehörlos doof
nackt naakt, bloot
bloß bloot; enkel, alleen maar [als partikel: toch]
sanft zacht, zachtaardig, teder, mild, licht
zart zacht, teder, teer, zwak, tenger, fragiel, delicaat
ständig voortdurend, continu, permanent, vast
zusätzlich bijkomend, aanvullend, extra [als bijw.: bovendien, daarnaast]
übrig overig, over(gebleven)
blöd, blöde dom, stom
doof [informeel] dom, stom
albern dom, stom
plötzlich plotseling, opeens, ineens
schlagartig plotseling, abrupt
abrupt abrupt
verrückt gek, gestoord, krankzinnig
irre gek, gestoord, krankzinnig
anspruchsvoll veeleisend, uitdagend, hoogwaardig, verfijnd
ehemalig voormalig
damalig toenmalig
überraschend verrassend
erstaunlich verbazingwekkend
emotional emotioneel
entsprechend passend, gepast [soms: bevoegd, daarvoor aangewezen] [als vz.: overeenkomstig]
angemessen passend, gepast
aktuell actueel
individuell individueel
fraglich twijfelachtig, onzeker; desbetreffend
zweifelhaft twijfelachtig, onzeker; verdacht, dubieus
atemberaubend adembenemend
erhältlich verkrijgbaar
öde saai, vervelend; verlaten, woest, doods [landschap]

Bijvoeglijke naamwoorden (deel 5)
Duits Nederlands
ordentlich keurig, netjes, fatsoenlijk, ordelijk
fragwürdig twijfelachtig, dubieus
innere inwendig, innerlijk, intern, binnenste, binnen-, binnenlands
äußere uitwendig, uiterlijk, extern, buitenste, buiten-, buitenlands
auswärtig van buiten, elders gevestigd, buitenlands
ausländisch buitenlands
inländisch binnenlands
anonym anoniem
notwendig noodzakelijk, nodig
nötig nodig, noodzakelijk
erforderlich vereist, noodzakelijk, nodig
unerlässlich onontbeerlijk, onmisbaar, beslist noodzakelijk
oberflächlich oppervlakkig
seicht ondiep, oppervlakkig [water; figuurlijk]
heutig huidig, hedendaags
gegenwärtig huidig, tegenwoordig [als bijw.: momenteel]
zeitgenössisch eigentijds, hedendaags, modern
zeitnah, zeitnahe actueel, van deze tijd; tijdig, snel
rasch snel, vlug, vlot, rap
schlank slank
geschickt handig, behendig, bekwaam, vaardig, bedreven [als volt.dw.: gestuurd]
steif stijf, stug
streng streng, strikt
(un)gesund (on)gezond
bequem comfortabel, gemakkelijk [ook: gemakzuchtig]
vorsichtig voorzichtig, behoedzaam
aufmerksam oplettend, aandachtig, attent, opmerkzaam
durchschnittlich gemiddeld [soms: middelmatig]
zuverlässig betrouwbaar
verlässlich betrouwbaar
vergeblich vergeefs, tevergeefs
natürlich natuurlijk [als bijw. ook: uiteraard, vanzelfsprekend]
perfekt perfect
regelmäßig regelmatig, gelijkmatig, geregeld
mäßig matig, gematigd, middelmatig
mild, milde mild [alle betekenissen]
flauschig pluizig, donzig, zacht
vordere voorste, voor-
hintere achterste, achter-
pur puur, zuiver
rein zuiver, puur, louter; rein, schoon [als bijw. ook: volstrekt] [inf. verkorting van hinein en herein]
klar helder, duidelijk [als bijw.: natuurlijk, vanzelfsprekend]
eindeutig duidelijk, ondubbelzinnig, eenduidig
deutlich duidelijk [ook: aanzienlijk, beduidend]
einsam eenzaam
allein alleen [ook als bijwoord; soms als voegwoord] [informeel soms alleine]
zahlreich talrijk
vielfältig veelzijdig, divers, gevarieerd
tätig actief, werkzaam, bezig
aktiv actief
passiv passief
positiv positief
negativ negatief
vertraulich vertrouwelijk
geheim geheim
heimlich heimelijk, stiekem, geheim
roh rauw, ruw, onbewerkt
definitiv definitief
endgültig definitief
linke linker(-)
rechte rechter(-)
recht juist, goed [als bijw.: behoorlijk, nogal]
gerecht rechtvaardig, gerechtvaardigd, terecht
ideal ideaal
horizontal horizontaal
waagerecht, waagrecht horizontaal
vertikal verticaal
senkrecht verticaal