Algemene woordenlijst - allgemeine Wortliste
QUIZZEN: woorden Duits-Nederlands deel 1 of deel 2 of deel 3 of deel 4
QUIZZEN: woorden Nederlands-Duits deel 1 of deel 2 of deel 3 of deel 4
In de woordenlijsten worden geslacht en meervoud aangegeven indien afwijkend van de richtlijnen op de pagina over het zelfstandig naamwoord.

Algemene woordenlijst
Duits Nederlands
Welt (f) wereld
Erde aarde
Sonne zon
Mond (m) [Monde] maan
Stern (m) ster
Planet (m) [+en] planeet
Raum (m) ruimte
Existenz (f) bestaan
Leben [-] leven
Tod (m) dood
Liebe liefde
Hass (m) haat
Tier dier
Geist (m) geest
Verstand (m) verstand
Buch [Bücher] boek
Zeitung krant
Brief (m) brief
Geschenk geschenk
Karte kaart
Geld [+er] geld
Sprache taal
Wort [Wörter] woord
Satz (m) zin [taalkunde]
Text (m) tekst
Gespräch gesprek
Gedicht gedicht
Lied [+er] lied
Musik muziek
Schall (m) geluid
Buchstabe (m) [+n] letter
Kunst (f) [Künste] kunst
Schönheit schoonheid
Friede(n) (m) vrede
Freiheit vrijheid
Wahrheit waarheid
Wirklichkeit werkelijkheid
Realität werkelijkheid
Gesundheit gezondheid
Krankheit ziekte
Hoffnung hoop
Glaube (m) geloof
Vertrauen vertrouwen
Wissen (n) kennis, weten
Problem probleem
Lösung oplossing
Idee idee
Konzept concept
Zukunft toekomst
Vergangenheit verleden
Gegenwart (f) heden; aanwezigheid
Anwesenheit aanwezigheid
Präsenz (f) aanwezigheid
Abwesenheit afwezigheid
Mittel middel
Ziel (n) doel, bedoeling
Zweck (m) doeleinde, bedoeling
Absicht (f) intentie, bedoeling
Bestimmung bestemming
Situation situatie
Zustand (m) toestand
Umstand (m) omstandigheid
Lage ligging; situatie; laag
Grund (m) reden, grond
Ursache oorzaak
Folge gevolg; vervolg; opeenvolging
Anlass (m) aanleiding
Ergebnis resultaat
Resultat resultaat
Wirkung effect, (uit)werking
Effekt (m) effect, (uit)werking
Erfolg (m) succes
Reihe rij, reeks
Reihenfolge volgorde
Ordnung orde, ordening
Chaos (n) chaos
Ursprung (m) oorsprong
Herkunft (f) herkomst
Abkunft (f) afkomst
Qualität kwaliteit
Quantität kwantiteit
Menge hoeveelheid
Chance kans
Möglichkeit mogelijkheid
Gelegenheit gelegenheid
Nutzen (m) nut
Vorteil (m) voordeel
Nachteil (m) nadeel
Bewusstsein bewustzijn
Gewissen geweten
Energie energie
Kraft (f) kracht
Macht (f) macht
Gewalt (f) geweld
Prinzip principe, beginsel
Merkmal kenmerk
Eigenschaft eigenschap
Technik techniek
Technologie technologie
Theorie theorie
Praxis (f) praktijk
Information informatie
Daten (n-pl) gegevens
Teil (m) deel, gedeelte, onderdeel
Übersicht (f) overzicht
Überblick (m) overzicht
Aktualität actualiteit
Wohlstand (m) welvaart
Wohl(ergehen) welzijn
Tat (f) daad
Tatsache feit
Aktion actie
Ewigkeit eeuwigheid
Vielfalt (f), Vielfältigkeit verscheidenheid, diversiteit
Mannigfaltigkeit verscheidenheid, diversiteit
Diversität verscheidenheid, diversiteit
Einheit eenheid
Verantwortung verantwoording, verantwoordelijkheid
Verantwortlichkeit verantwoordelijkheid
Unabhängigkeit onafhankelijkheid
Glück geluk, voorspoed
Unglück ongeluk, tegenspoed
Krieg (m) oorlog
Wissenschaft wetenschap
Sicherheit veiligheid; zekerheid; beveiliging
Zuverlässigkeit betrouwbaarheid
Beziehung betrekking, relatie
Verhältnis verhouding, relatie
Aufklärung opheldering; verlichting; voorlichting
Umwelt (f) milieu, omgeving
Umgebung omgeving, buurt
Einrichtung instelling; voorziening; inrichting
Kultur (f) cultuur
Politik politiek; beleid
Wirtschaft economie [ook: café, huishouding, boerenbedrijf]
Ökonomie economie [ook: zuinigheid]
Religion godsdienst, religie
Geschichte geschiedenis; verhaal
Philosophie filosofie
Recht recht
Gerechtigkeit gerechtigheid, rechtvaardigheid
Rechtsprechung rechtspraak, jurisprudentie
Prozess (m) proces, rechtszaak
Gesetz (n) wet
Notwendigkeit noodzaak, noodzakelijkheid
Dienstleistung dienst, dienstverlening
Leistung prestatie, vermogen
Erholung herstel; ontspanning; recreatie
Tourismus (m) toerisme
Fremdenverkehr (m) toerisme
Landwirtschaft landbouw
Gesamtheit geheel, totaliteit
Armut (f) armoede
Reichtum (m) rijkdom
Ding ding
Sache zaak
Gegenstand (m) voorwerp; onderwerp
Generation generatie
Gegensatz (m) tegenstelling, contrast
Widerspruch (m) tegenspraak, tegenstrijdigheid
Inhalt (m) inhoud
Substanz (f) substantie, stof, materie
Bildung vorming, ontwikkeling
Ausbildung opleiding, beroepsvorming
Erziehung educatie, opvoeding
Unterricht (m) onderwijs, les
Sklaverei slavernij
Nachricht (f) bericht
Nachrichten (f-pl) nieuws
Werbung reclame
Fest feest
Feier (f) feest
Party (f) feestje
Platz (m) plaats, plek [ook: plein]
Sucht (f) verslaving, ziekelijke neiging
Abhängigkeit verslaving, afhankelijkheid
Abenteuer avontuur
Vereinigung vereniging, eenwording, unie
Verein (m) vereniging, club
Steuer (f) belasting, taks
Steuer (n) stuur, roer
Fehler (m) fout
Gruppe groep
Einsicht (f) inzicht; inzage
Erkenntnis (f) inzicht, besef, kennis
Auftrag (m) opdracht, taak; bestelling
Aufgabe opdracht, taak; opgave; afgifte
Kriminalität criminaliteit, misdaad
Verbrechen misdrijf, misdaad
Fall (m) val; geval; naamval
Zufall toeval
Unfall ongeval, ongeluk
Vorfall incident, voorval
Zwischenfall incident, voorval
Ereignis gebeurtenis, voorval
Erlebnis belevenis, ervaring
Erfahrung ervaring, ondervinding
Verzeichnis lijst, register, index
Alter (n) leeftijd, ouderdom
Alltag (m) dagelijks leven
Aktivität activiteit
Tätigkeit activiteit, bezigheid, werkzaamheid
Aufmerksamkeit aandacht, oplettendheid
Beachtung aandacht, inachtneming
Achtung respect, aanzien, eerbied; attentie [ook: opgelet!]
Schaden (m) schade
Abstand (m) afstand, tussenruimte
Entfernung verwijdering; afstand
Distanz (f) afstand
Finsternis (f) duisternis; verduistering [astronomie]
Dunkelheit (f) duisternis
Geheimnis geheim
Kenntnis (f) kennis
Anzeige advertentie; aangifte [juridisch]; afleesvenster, display
Annonce advertentie
Inserat (n) advertentie
Elektrizität elektriciteit
Strom (m) stroom [algemeen, water, elektriciteit]
Voraussetzung voorwaarde; veronderstelling
Urlaub (m) vakantie, verlof
Ferien (pl) vakantie
Beförderung vervoer, transport; promotie, bevordering
Auswahl (f) selectie, keuze, assortiment
Name (m) naam
Vorgang (m) proces; gebeurtenis, voorval
Vorgehen aanpak, benadering, handelwijze