Werkwoordenlijst - Verbenliste
QUIZZEN: werkwoorden Duits-Nederlands deel 1 of deel 2 of deel 3 of deel 4 of deel 5 of deel 6 of deel 7 of deel 8
QUIZZEN: werkwoorden Nederlands-Duits deel 1 of deel 2 of deel 3 of deel 4 of deel 5 of deel 6 of deel 7 of deel 8
* = werkelijk onregelmatig werkwoord / werkwoord met onregelmatigheid
x = gemixt werkwoord: zwak maar klankverandering in de verleden tijd
+ = in het Nederlands zwak maar in het Duits sterk (of ter verduidelijking)
- = in het Nederlands sterk maar in het Duits zwak (of ter verduidelijking)

Duitse werkwoorden
Duits Nederlands
sein * zijn
haben * hebben
werden * worden, zullen
dürfen * mogen
können * kunnen
mögen * lusten, lekker/leuk vinden
müssen * moeten [noodzaak]
sollen * moeten [wens/bevel ander]
wollen * willen
wissen * weten
kommen komen
halten houden
geben * geven
gehen * gaan
machen doen, maken
tun * doen
sagen - zeggen
trinken drinken
öffnen openen
küssen kussen
tanzen dansen
suchen - zoeken
kaufen - kopen
glauben geloven
wünschen wensen
spielen spelen
arbeiten werken (arbeid verrichten)
zahlen betalen
reden praten
sprechen spreken
antworten antwoorden
grüßen groeten
fühlen voelen
reisen reizen
leben leven
wohnen wonen
verstehen * begrijpen, verstaan
(be)enden (be)eindigen
vorziehen de voorkeur geven aan
bevorzugen - de voorkeur geven aan
sauber machen schoonmaken
lieben - houden van
sitzen zitten
fliegen vliegen
schweigen zwijgen
singen zingen
verkaufen verkopen
gewinnen winnen
siegen - winnen
verlieren verliezen
springen springen
essen eten
denken x denken
helfen helpen
fragen - vragen
bleiben blijven
nehmen * nemen
bringen x brengen
tragen dragen
finden vinden
sterben sterven
lachen lachen
weinen huilen
schlafen slapen
stehen * staan
bekommen ontvangen, (ver)krijgen
erhalten ontvangen, krijgen; behouden; onderhouden
kriegen - krijgen
kennen x kennen
kosten kosten; proeven
hoffen hopen
hassen haten
schreiben schrijven
lesen lezen
rufen roepen
gucken, kucken - kijken
schauen - kijken
zuhören luisteren
laufen lopen
wachsen + groeien
bewegen - bewegen
fallen vallen
liegen liggen
wagen durven
besuchen - bezoeken
verlassen verlaten
lassen laten
lernen leren
bedeuten betekenen
ankommen aankomen
eintreffen aankomen
abfahren vertrekken
warten wachten
spazieren (gehen) wandelen
Rad fahren + fietsen
fahren rijden, varen
steuern (be)sturen
reiten paardrijden
schwimmen zwemmen
anfangen beginnen
beginnen beginnen
aufhören - stoppen, ophouden
anhalten stoppen; aanhouden; voortduren; aansporen
stoppen stoppen
weitermachen - doorgaan
passieren gebeuren
scheinen schijnen, lijken
fehlen - ontbreken
probieren proberen, proeven
versuchen proberen
amüsieren vermaken
unterhalten onderhouden, vermaken
sich unterhalten zich vermaken, een gesprek voeren
schmerzen - pijn doen [iets doet pijn]
waschen + wassen
duschen douchen
baden baden
anziehen + aankleden
ausziehen + uitkleden
träumen dromen
wecken wakker maken
sich (hin)setzen - gaan zitten
heißen + heten
erwarten verwachten
aufstehen * opstaan
sich verlieben - verliefd worden
sich verletzen - zich pijn doen
einschlafen in slaap vallen
aufwachen ontwaken, wakker worden
sich irren zich vergissen
heiraten trouwen
ausruhen uitrusten
sehen zien
hören horen
berühren aanraken, beroeren
treffen ontmoeten, treffen
begegnen ontmoeten, tegenkomen
erzählen vertellen
zählen tellen
rechnen rekenen
übersetzen vertalen; overzetten
studieren studeren
gelingen + lukken
weilen - verblijven
besetzen bezetten, innemen
existieren - bestaan
(be)merken opmerken
schreien + schreeuwen, gillen
kochen koken, eten klaarmaken
hinterlassen achterlaten
begreifen begrijpen, bevatten
folgen volgen
aufmachen openmaken
heben * omhoog brengen, (op)tillen
erscheinen verschijnen
verschwinden verdwijnen
erkennen x (h)erkennen
zugeben toegeven
erinnern herinneren
sich merken - onthouden
vergessen vergeten
retten redden
befreien bevrijden
flüchten vluchten
fliehen + vluchten
entkommen ontsnappen, ontkomen
schließen sluiten
schicken sturen
senden (-) zenden
ausgehen * uitgaan
wählen - kiezen
(ver)ändern veranderen
riechen ruiken
stinken stinken
speisen dineren
scherzen een grapje maken
Spaß machen een grapje maken
drehen draaien
klingen klinken
behalten (be)houden
(sich) streiten + ruzie maken, twisten
(sich) zanken ruzie maken, twisten
dauern duren
behandeln behandelen
verhandeln onderhandelen
ausschließen uitsluiten
bestehen * doorstaan, bestaan, volhouden
kleiden kleden
bewundern bewonderen
vereinbaren - overeenkomen, afspreken
einverstanden sein * het eens zijn, akkoord gaan
(sich) verstecken (zich) verstoppen
anbieten aanbieden
verehren aanbidden, vereren
nachahmen - nadoen, imiteren
imitieren - nadoen, imiteren
analysieren analyseren
(auf)lösen oplossen, losmaken
übertragen overbrengen, overdragen, uitzenden
aufzeichnen - opnemen, registreren
zusammenarbeiten samenwerken
funktionieren werken, functioneren
beschreiben beschrijven
organisieren organiseren
definieren definiëren, bepalen
versprechen + beloven
zerstören vernietigen
brechen breken
stellen plaatsen, zetten
legen leggen
genießen genieten
bedauern betreuren
beitragen bijdragen
verabscheuen verafschuwen
erwidern beantwoorden [wederkerige reactie]
abschalten - uitdoen, uitschakelen
ausschalten - uitdoen, uitschakelen
erhöhen verhogen
senken verlagen
vermehren vermeerderen
vermindern verminderen
verringern verminderen
reduzieren verminderen
zunehmen toenemen
abnehmen afnemen
zittern trillen, beven
klopfen kloppen
steigen stijgen, omhoog gaan
klettern - klimmen
erklimmen beklimmen
besteigen beklimmen, bestijgen
erlauben toestaan
verbieten verbieden
untersagen verbieden, ontzeggen
rauchen roken
erklären uitleggen
danken bedanken
sich bedanken bedanken
blockieren blokkeren
(aus)tauschen ruilen, (uit)wisselen
zeigen - laten zien, tonen
schnarchen snurken
überleben overleven
gelten gelden
zweifeln twijfelen
zögern aarzelen
(be)fürchten vrezen, bang zijn
übertreiben overdrijven
dienen dienen
reparieren repareren
(be)schützen beschermen, afschermen, bewaken
vergeben vergeven
verzeihen + vergeven, verontschuldigen
werfen + gooien
fangen vangen
verlangen verlangen, eisen
annehmen aannemen, aanvaarden, veronderstellen
schlagen slaan, verslaan
ziehen trekken
schieben + duwen, schuiven
drücken drukken; omhelzen
umarmen omhelzen, knuffelen, omarmen
kuscheln knuffelen
schmusen knuffelen
knuddeln knuffelen
nutzen gebruiken, benutten
benutzen gebruiken
gebrauchen gebruiken
anwenden gebruiken, toepassen
verwenden gebruiken
brauchen - nodig hebben, behoefte hebben aan
trennen scheiden
heilen helen, gezond maken
genesen * genezen, gezond worden
sich erholen (zich) herstellen, beter worden
lecken likken; lekken
umziehen verhuizen
sich umziehen zich omkleden
lügen liegen
bekennen x bekennen, belijden
gestehen * bekennen, opbiechten
leugnen ontkennen
ignorieren negeren
üben (uit)oefenen
trainieren trainen
teilen delen
verteilen verdelen
stehlen stelen
besitzen bezitten
verwalten beheren
leihen + lenen
mieten huren
schießen schieten
beschließen besluiten
entscheiden + beslissen
gehorchen gehoorzamen
(ver)brennen x (ver)branden
kämpfen - vechten, strijden
bekämpfen - bevechten, bestrijden
besiegen - verslaan, overwinnen
entdecken ontdekken
enthüllen onthullen
verdienen verdienen
interessieren interesseren
lächeln glimlachen
schenken - schenken
entfernen verwijderen
tauchen - duiken
kontrollieren controleren
verprügeln - in elkaar slaan
rennen x rennen
schneiden snijden, knippen, snoeien
kleben plakken, lijmen, kleven
leimen lijmen
haften (vast)kleven, hechten; aansprakelijk zijn
angreifen aanvallen
attackieren - aanvallen
anfallen aanvallen; ontstaan
verteidigen verdedigen
mähen maaien
anschalten - aandoen, inschakelen
einschalten - aandoen, inschakelen
warnen waarschuwen
verständigen inlichten
wiederholen herhalen
zusammenstellen samenstellen
komponieren componeren
(er)sparen (be)sparen
entwickeln ontwikkelen
kontaktieren - contact opnemen met
ausgeben uitgeven
raten + raad geven, aanraden; raden
erraten + (succesvol) raden
gleichen lijken op
ähneln - lijken op
stechen steken, prikken
vermeiden vermijden
geschehen + gebeuren, overkomen
sich ereignen - gebeuren, tot stand komen
vorkommen gebeuren, voorkomen
stattfinden gebeuren, plaatsvinden
vorfallen gebeuren, voorvallen
vergleichen vergelijken
programmieren programmeren [informatica]
planen plannen
improvisieren improviseren
genügen - volstaan, toereikend/genoeg zijn
ausreichen - volstaan, toereikend/genoeg zijn
speichern - bewaren, opslaan
lagern - bewaren, opslaan
aufbewahren - bewaren, opslaan
bewahren bewaren, behouden
weglassen weglaten; laten gaan
verschweigen verzwijgen
verheimlichen - geheimhouden
hinzufügen toevoegen
graben graven
buddeln - graven [meestal met hand of klauw]
begraben begraven [meestal definitief, ook figuurlijk]
vergraben begraven [eventueel tijdelijk]
verwirren verwarren, in de war brengen
verwechseln verwarren, door elkaar halen, verwisselen
wiegen +/- wegen [sterk]; wiegen, schommelen [zwak]
töten doden
ermorden vermoorden
umbringen ombrengen, vermoorden
verwunden verwonden
verletzen verwonden; kwetsen; schenden, overtreden
bestätigen bevestigen, bekrachtigen
(sich) ausdrücken (zich) uitdrukken; uitpersen
(sich) äußern (zich) uiten
stören (ver)storen
ordnen ordenen
bestellen bestellen; [akker] bewerken; [boodschap] overbrengen
befehlen bevelen
empfehlen aanbevelen
bitten + verzoeken, vragen, smeken, uitnodigen
ersuchen - verzoeken
erfordern vereisen
verlegen - verplaatsen; [afspraak] verzetten; versperren; [boek] uitgeven
biegen (ver)buigen [algemeen]
beugen (ver)buigen [lichaamsdelen, taalkunde, figuurlijk]
rutschen - glijden
gleiten glijden
(ein-/aus)atmen (in-/uit)ademen
protestieren protesteren
demonstrieren demonstreren
transformieren transformeren
bellen blaffen
beißen bijten
konsultieren raadplegen
diskutieren discussiëren
besprechen bespreken
behaupten beweren
saugen zuigen
lutschen - (likkend) zuigen
blasen blazen
pusten - blazen
abschließen afsluiten
bestimmen bepalen, vaststellen, bestemmen
fischen vissen
angeln vissen, hengelen
ablehnen weigeren, afwijzen, verwerpen
korrigieren corrigeren
berichtigen rechtzetten, corrigeren
konfrontieren confronteren
ersetzen - vervangen
(be)urteilen (be)oordelen
verurteilen veroordelen
bewerten beoordelen [waarde]
schätzen (op waarde) schatten, taxeren, waarderen
vermissen missen [vaststelling; gevoel]
verpassen missen [doel; gelegenheid]
versorgen verzorgen
pflegen verplegen, verzorgen
betreuen zorgen voor, begeleiden
handeln handelen [optreden; handeldrijven]
vorhaben van plan zijn
meinen menen; bedoelen
verführen verleiden
verleiten verleiden
zusammenfassen samenvatten; samenvoegen
zusammenfügen samenvoegen
verhindern voorkomen, verhinderen
rollen rollen
strömen stromen
fließen + vloeien
unterrichten - onderwijzen, lesgeven; informeren
lehren (aan)leren, onderwijzen, doceren
beibringen x bijbrengen [(aan)leren; informeren]; toebrengen; aanleveren
beleidigen beledigen
kränken beledigen, krenken, kwetsen
(be)schimpfen - (uit)schelden
fluchen vloeken
produzieren produceren
trauern rouwen, treuren
leiden lijden
(be)strafen (be)straffen
bauen bouwen
errichten oprichten, bouwen, stichten
abreißen + afscheuren, afbreken, slopen
abbrechen afbreken [demonteren; voortijdig beëindigen]
akzeptieren accepteren
anerkennen x erkennen, goedkeuren, accepteren
ablenken [iemand] afleiden; van richting doen veranderen
ableiten afleiden, afvoeren, ontlenen
(sich) konzentrieren (zich) concentreren
führen leiden
leiten leiden
lenken leiden, sturen
seufzen (ver)zuchten
stöhnen zuchten, steunen, kreunen
schlucken slikken, opslokken
ersticken (ver)stikken
konkurrieren concurreren
wetteifern wedijveren
aussprechen uitspreken
verursachen veroorzaken
auslösen - veroorzaken, teweegbrengen, activeren, uitlokken
untersuchen - onderzoeken
trösten troosten
kommunizieren communiceren
sich verständigen communiceren
betrügen + bedriegen, oplichten
täuschen - bedriegen, misleiden
irreführen - misleiden, op een dwaalspoor brengen
versagen falen, tekortschieten; weigeren
scheitern mislukken, falen
fehlschlagen + mislukken
misslingen + mislukken
herausfordern uitdagen, provoceren
(unter)stützen (onder)steunen
opfern (op)offeren
überraschen verrassen
verpflichten verplichten
nötigen - dwingen
(er)zwingen (af)dwingen
durchsetzen doorzetten, doordrijven
realisieren realiseren
verwirklichen verwerkelijken
erreichen bereiken
vorschlagen + voorstellen, een voorstel doen
suggerieren suggereren
wechseln wisselen
bearbeiten bewerken, behandelen
anpassen aanpassen
erschrecken +/- schrikken [sterk]; doen schrikken [zwak]
unterscheiden + onderscheiden
sich unterscheiden + verschillen
anrufen + aanroepen, oproepen, (op)bellen
telefonieren telefoneren, bellen
entlassen ontslaan; vrijlaten
kündigen - ontslaan; opzeggen
wahrnehmen waarnemen
beobachten - waarnemen, observeren, gadeslaan
observieren observeren
erledigen afhandelen
schrumpfen krimpen
(be)drohen (be)dreigen
beschäftigen - bezighouden, tewerkstellen, in dienst hebben
einladen + uitnodigen; inladen
schaffen +/- scheppen, creëren [sterk]; klaarspelen, halen, redden [zwak]