Werkwoordenlijst - Verbenliste

Zelfgemaakte Sporcle-quizzes (typ): oefen de werkwoorden Duits-Nederlands deel 1 of deel 2 of deel 3 of deel 4 of deel 5
Zelfgemaakte Sporcle-quizzes (typ): oefen de werkwoorden Nederlands-Duits deel 1 of deel 2 of deel 3 of deel 4 of deel 5

* = werkelijk onregelmatig werkwoord / werkwoord met onregelmatigheid
x = gemixt werkwoord: zwak maar klankverandering in de verleden tijd
+ = in het Nederlands zwak maar in het Duits sterk (of ter verduidelijking)
- = in het Nederlands sterk maar in het Duits zwak (of ter verduidelijking)

Duitse werkwoorden
Duits Nederlands
sein *
zijn
haben *
hebben
werden *
worden, zullen
dürfen *
mogen
können *
kunnen
mögen *
lusten, lekker/leuk vinden
müssen *
moeten [noodzaak]
sollen *
moeten [wens/bevel ander]
wollen *
willen
wissen *
weten
kommen
komen
halten
houden
geben *
geven
gehen *
gaan
machen
doen, maken
tun *
doen
sagen -
zeggen
trinken
drinken
antworten
antwoorden
arbeiten
werken (arbeid verrichten)
fühlen voelen
glauben geloven
grüßen groeten
kaufen -
kopen
küssen kussen
öffnen openen
reden
praten
reisen
reizen
spielen
spelen
suchen -
zoeken
tanzen
dansen
wohnen
wonen
wünschen wensen
zahlen
betalen
leben
leven
verstehen *
begrijpen, verstaan
(be)enden
(be)eindigen
vorziehen
de voorkeur geven aan
bevorzugen -
de voorkeur geven aan
sauber machen
schoonmaken
lieben -
houden van
sitzen
zitten
fliegen
vliegen
schweigen
zwijgen
singen
zingen
verkaufen
verkopen
gewinnen
winnen
siegen -
winnen
verlieren
verliezen
springen
springen
essen
eten
denken x
denken
sprechen
spreken
helfen
helpen
fragen -
vragen
bleiben
blijven
nehmen *
nemen
bringen x
brengen
tragen
dragen
finden
vinden
sterben
sterven
lachen
lachen
weinen
huilen
schlafen
slapen
stehen *
staan
bekommen
ontvangen, (ver)krijgen
erhalten
ontvangen, (ver)krijgen
kriegen -
krijgen
kennen x
kennen
kosten
kosten; proeven
hoffen
hopen
hassen
haten
schreiben
schrijven
lesen
lezen
rufen
roepen
gucken, kucken -
kijken
schauen -
kijken
zuhören
luisteren
laufen
lopen
wachsen +
groeien
bewegen -
bewegen
fallen
vallen
liegen
liggen
wagen
durven
besuchen -
bezoeken
verlassen
verlaten
lassen
laten
lernen
leren
bedeuten
betekenen
ankommen
aankomen
eintreffen
aankomen
abfahren
vertrekken
warten
wachten
spazieren (gehen)
wandelen
Rad fahren +
fietsen
fahren
rijden, varen
steuern
(be)sturen
reiten
paardrijden
schwimmen
zwemmen
anfangen
beginnen
beginnen
beginnen
aufhören - stoppen, ophouden
anhalten
(doen) stoppen,aanhouden
stoppen
stoppen
weitermachen -
doorgaan
passieren
gebeuren
scheinen
schijnen, lijken
fehlen -
ontbreken
probieren
proberen, proeven
versuchen
proberen
amüsieren
vermaken
unterhalten
onderhouden, vermaken
sich unterhalten
zich vermaken, een gesprek voeren
schmerzen -
pijn doen [iets doet pijn]
waschen +
wassen
duschen
douchen
baden
baden
anziehen +
aankleden
ausziehen +
uitkleden
träumen
dromen
wecken
wakker maken
sich (hin)setzen -
gaan zitten
heißen +
heten
erwarten
verwachten
aufstehen *
opstaan
sich verlieben -
verliefd worden
sich verletzen -
zich pijn doen
einschlafen
in slaap vallen
aufwachen
ontwaken, wakker worden
sich irren
zich vergissen
heiraten
trouwen
ausruhen
uitrusten
sehen
zien
hören
horen
berühren
aanraken, beroeren
treffen
ontmoeten, treffen
begegnen
ontmoeten, tegenkomen
erzählen
vertellen
zählen
tellen
rechnen
rekenen
übersetzen
vertalen; overzetten
studieren
studeren
gelingen +
lukken
weilen -
verblijven
besetzen
bezetten, innemen
existieren -
bestaan
(be)merken
opmerken
schreien +
schreeuwen, gillen
kochen
koken, eten klaarmaken
hinterlassen
achterlaten
begreifen
begrijpen, bevatten
folgen
volgen
aufmachen
openmaken
heben *
omhoog brengen, (op)tillen
erscheinen
verschijnen
verschwinden
verdwijnen
erkennen x
(h)erkennen
zugeben
toegeven
erinnern
herinneren
sich merken -
onthouden
vergessen
vergeten
retten
redden
befreien
bevrijden
flüchten
vluchten
fliehen +
vluchten
entkommen
ontsnappen, ontkomen
schließen
sluiten
schicken
sturen
senden (-)
zenden
ausgehen *
uitgaan
wählen -
kiezen
(ver)ändern veranderen
riechen
ruiken
stinken
stinken
speisen
dineren
scherzen
een grapje maken
Spaß machen
een grapje maken
drehen
draaien
klingen
klinken
behalten
(be)houden
(sich) streiten +
ruzie maken, twisten
dauern
duren
behandeln
behandelen
verhandeln
onderhandelen
ausschließen
uitsluiten
bestehen *
doorstaan, bestaan, volhouden
kleiden
kleden
bewundern
bewonderen
vereinbaren -
overeenkomen, afspreken
einverstanden sein *
het eens zijn, akkoord gaan
(sich) verstecken
(zich) verstoppen
anbieten
aanbieden
verehren
aanbidden, vereren
nachahmen -
nadoen, imiteren
imitieren -
nadoen, imiteren
analysieren
analyseren
(auf)lösen oplossen, losmaken
übertragen
overbrengen, overdragen, uitzenden
aufzeichnen -
opnemen, registreren
zusammenarbeiten
samenwerken
funktionieren
werken, functioneren
beschreiben
beschrijven
organisieren
organiseren
definieren
definiëren, bepalen
versprechen +
beloven
zerstören
vernietigen
brechen
breken
stellen
plaatsen, zetten
legen
leggen
genießen
genieten
bedauern
betreuren
beitragen
bijdragen
verabscheuen
verafschuwen
erwidern
beantwoorden [wederkerige reactie]
abschalten, ausschalten -
uitdoen, uitschakelen
erhöhen
verhogen
senken
verlagen
vermehren
vermeerderen
vermindern
verminderen
verringern
verminderen
reduzieren
verminderen
zunehmen
toenemen
abnehmen
afnemen
zittern
trillen, beven
klopfen
kloppen
steigen
stijgen, omhoog gaan
klettern -
klimmen
erklimmen
beklimmen
besteigen beklimmen, bestijgen
erlauben
toestaan
verbieten
verbieden
untersagen
verbieden, ontzeggen
rauchen
roken
erklären
uitleggen
danken
bedanken
sich bedanken
bedanken
blockieren
blokkeren
(aus)tauschen
ruilen, (uit)wisselen
zeigen -
laten zien, tonen
schnarchen
snurken
überleben
overleven
gelten
gelden
zweifeln
twijfelen
zögern
aarzelen
(be)fürchten
vrezen, bang zijn
übertreiben
overdrijven
dienen
dienen
reparieren
repareren
(be)schützen
beschermen, afschermen, bewaken
vergeben
vergeven
verzeihen +
vergeven, verontschuldigen
werfen +
gooien
fangen
vangen
verlangen
verlangen, eisen
annehmen
aannemen, aanvaarden, veronderstellen
schlagen
slaan, verslaan
ziehen
trekken
schieben +
duwen, schuiven
drücken
drukken; omhelzen
umarmen
omhelzen, knuffelen, omarmen
kuscheln
knuffelen
schmusen
knuffelen
knuddeln
knuffelen
nutzen
gebruiken, benutten
benutzen
gebruiken
gebrauchen
gebruiken
anwenden
gebruiken, toepassen
verwenden
gebruiken
brauchen -
nodig hebben, behoefte hebben aan
trennen
scheiden
heilen
helen, gezond maken
genesen *
genezen, gezond worden
sich erholen
(zich) herstellen, beter worden
lecken
likken; lekken
umziehen
verhuizen
sich umziehen
zich omkleden
lügen
liegen
bekennen x
bekennen, belijden
gestehen *
bekennen, opbiechten
leugnen
ontkennen
ignorieren
negeren
üben
(uit)oefenen
trainieren
trainen
teilen
delen
verteilen
verdelen
stehlen
stelen
besitzen
bezitten
verwalten
beheren
leihen +
lenen
mieten
huren
schießen
schieten
beschließen
besluiten
entscheiden +
beslissen
gehorchen
gehoorzamen
(ver)brennen x
(ver)branden
kämpfen -
vechten, strijden
bekämpfen -
bevechten, bestrijden
besiegen -
verslaan, overwinnen
entdecken
ontdekken
enthüllen
onthullen
verdienen
verdienen
interessieren
interesseren
lächeln
glimlachen
schenken -
schenken
entfernen
verwijderen
tauchen -
duiken
kontrollieren
controleren