Werkwoordenlijst - Verbenliste
QUIZZEN: werkwoorden Duits-Nederlands deel 1 of deel 2 of deel 3 of deel 4 of deel 5 of deel 6 of deel 7 of deel 8 of deel 9 of deel 10 of deel 11 of deel 12
QUIZZEN: werkwoorden Nederlands-Duits deel 1 of deel 2 of deel 3 of deel 4 of deel 5 of deel 6 of deel 7 of deel 8 of deel 9 of deel 10 of deel 11 of deel 12
* = werkelijk onregelmatig werkwoord / werkwoord met onregelmatigheid
x = gemixt werkwoord: zwak maar klankverandering in de verleden tijd
+ = in het Nederlands zwak maar in het Duits sterk (of ter verduidelijking)
- = in het Nederlands sterk maar in het Duits zwak (of ter verduidelijking)
3p = onpersoonlijk werkwoord, wordt (vrijwel) uitsluitend vervoegd in de derde persoon
D = wordt regelmatig of meestal gebruikt samen met de datief
G = wordt regelmatig of meestal gebruikt samen met de genitief

Duitse werkwoorden (deel 1)
Duits Nederlands
sein * zijn
haben * hebben
werden * worden; zullen
dürfen * mogen
können * kunnen
mögen * lusten, lekker/leuk vinden
müssen * moeten [noodzaak]
sollen * moeten [wens/bevel ander]
wollen * willen
wissen * weten
kommen komen
halten houden
geben * geven
gehen * gaan
machen doen; maken
tun * doen
sagen - zeggen
trinken drinken
öffnen openen
küssen kussen
tanzen dansen
suchen - zoeken
kaufen - kopen
glauben D geloven
wünschen wensen
spielen spelen
arbeiten werken (arbeid verrichten)
zahlen betalen
reden praten
sprechen spreken
antworten D antwoorden
grüßen groeten
fühlen voelen
reisen reizen
leben leven
wohnen wonen
verstehen * begrijpen, verstaan
(be)enden (be)eindigen
vorziehen de voorkeur geven aan
bevorzugen - de voorkeur geven aan
sauber machen schoonmaken
lieben - houden van
sitzen zitten
fliegen vliegen
schweigen zwijgen
singen zingen
verkaufen verkopen
gewinnen winnen
siegen - winnen
verlieren verliezen
springen springen
essen eten
denken x denken
helfen D helpen
fragen - vragen
bleiben blijven
nehmen * nemen
bringen x brengen
tragen dragen
finden vinden
sterben sterven
lachen lachen
weinen huilen
schlafen slapen

Duitse werkwoorden (deel 2)
Duits Nederlands
stehen * staan
bekommen ontvangen, (ver)krijgen
erhalten ontvangen, krijgen; behouden; onderhouden
kriegen - krijgen
kennen x kennen
kosten kosten; proeven [eten/drinken proberen]
hoffen hopen
hassen haten
schreiben schrijven
lesen lezen
rufen roepen
gucken, kucken - kijken
schauen - kijken
zuhören D luisteren
laufen lopen
wachsen + groeien
bewegen - bewegen
fallen vallen
liegen liggen
wagen durven
besuchen - bezoeken
verlassen verlaten
lassen laten
lernen leren
bedeuten betekenen
ankommen aankomen
eintreffen aankomen
abfahren vertrekken
warten wachten
spazieren (gehen) wandelen
Rad fahren + fietsen
fahren rijden; varen
steuern (be)sturen
reiten paardrijden
schwimmen zwemmen
anfangen beginnen
beginnen beginnen
aufhören - stoppen, ophouden
anhalten stoppen; aanhouden; voortduren; aansporen
stoppen stoppen
weitermachen - doorgaan
passieren D gebeuren
scheinen schijnen, lijken
fehlen - D ontbreken
probieren proberen, proeven
versuchen proberen
amüsieren vermaken
unterhalten onderhouden; vermaken
sich unterhalten zich vermaken; een gesprek voeren
schmerzen - pijn doen [iets doet pijn]
waschen + wassen
duschen douchen
baden baden
anziehen + aantrekken [alle betekenissen]; aankleden
ausziehen + uittrekken, uitkleden
träumen dromen
wecken wakker maken
sich (hin)setzen - gaan zitten
heißen + heten
erwarten verwachten
aufstehen * opstaan
sich verlieben - verliefd worden
sich verletzen - zich pijn doen
einschlafen in slaap vallen
aufwachen ontwaken, wakker worden
sich irren zich vergissen
heiraten trouwen
ausruhen uitrusten

Duitse werkwoorden (deel 3)
Duits Nederlands
sehen zien
hören horen
berühren aanraken, beroeren
treffen ontmoeten, treffen
begegnen D ontmoeten, tegenkomen
erzählen vertellen
zählen tellen
rechnen rekenen
übersetzen vertalen; overzetten
studieren studeren
gelingen + D 3p lukken
weilen - verblijven
besetzen bezetten, innemen
existieren - bestaan
(be)merken opmerken
schreien + schreeuwen, gillen
kochen koken, eten klaarmaken
hinterlassen achterlaten
begreifen begrijpen, bevatten
folgen D volgen
aufmachen openmaken
heben * (op)tillen, (op)heffen
erscheinen verschijnen
verschwinden verdwijnen
erkennen x (h)erkennen
zugeben toegeven
erinnern herinneren
sich merken - onthouden
vergessen vergeten
retten redden
befreien bevrijden
flüchten vluchten
fliehen + vluchten
entkommen ontsnappen, ontkomen
schließen sluiten
schicken sturen
senden (-) zenden
ausgehen * uitgaan
wählen - kiezen
(ver)ändern veranderen
riechen ruiken
stinken stinken
speisen dineren
scherzen een grapje maken
Spaß machen een grapje maken
drehen draaien
klingen klinken
behalten (be)houden
(sich) streiten + ruzie maken, twisten
(sich) zanken ruzie maken, twisten
dauern duren
behandeln behandelen
verhandeln onderhandelen
ausschließen uitsluiten
bestehen * doorstaan, bestaan, volhouden
kleiden kleden
bewundern bewonderen

Duitse werkwoorden (deel 4)
Duits Nederlands
vereinbaren - overeenkomen, afspreken
einverstanden sein * het eens zijn, akkoord gaan
(sich) verstecken (zich) verstoppen
anbieten aanbieden
verehren aanbidden, vereren
nachahmen - nadoen, imiteren
imitieren - nadoen, imiteren
analysieren analyseren
(auf)lösen oplossen, losmaken
übertragen overbrengen, overdragen, uitzenden
aufzeichnen - opnemen, registreren
zusammenarbeiten samenwerken
funktionieren werken, functioneren
beschreiben beschrijven
organisieren organiseren
definieren definiëren, bepalen
versprechen + beloven
zerstören vernietigen
brechen breken
stellen plaatsen, zetten
legen leggen
genießen genieten
bedauern betreuren
beitragen bijdragen
verabscheuen verafschuwen
erwidern beantwoorden [wederkerige reactie]
abschalten - uitdoen, uitschakelen
ausschalten - uitdoen, uitschakelen
erhöhen verhogen
senken verlagen
vermehren vermeerderen
vermindern verminderen
verringern verminderen
reduzieren verminderen
zunehmen toenemen
abnehmen afnemen
zittern trillen, beven
klopfen kloppen
steigen stijgen, omhoog gaan
klettern - klimmen
erklimmen beklimmen
besteigen beklimmen, bestijgen
erlauben toestaan
verbieten verbieden
untersagen verbieden, ontzeggen
rauchen roken
erklären uitleggen, verklaren
danken D (be)danken
sich bedanken bedanken
blockieren blokkeren
(aus)tauschen ruilen, (uit)wisselen
zeigen - laten zien, tonen
schnarchen snurken
überleben overleven
gelten gelden
zweifeln twijfelen
zögern aarzelen
(be)fürchten vrezen, bang zijn
übertreiben overdrijven
dienen D dienen

Duitse werkwoorden (deel 5)
Duits Nederlands
reparieren repareren
(be)schützen beschermen, afschermen, bewaken
vergeben D vergeven
verzeihen + D vergeven, verontschuldigen
werfen + gooien
fangen vangen
verlangen verlangen, eisen
annehmen aannemen, aanvaarden, veronderstellen
schlagen slaan, verslaan
ziehen trekken
schieben + duwen, schuiven
drücken drukken; omhelzen
umarmen omhelzen, knuffelen, omarmen
kuscheln knuffelen
schmusen knuffelen
knuddeln knuffelen
nutzen D gebruiken, benutten
benutzen gebruiken
gebrauchen gebruiken
anwenden gebruiken, toepassen
verwenden gebruiken
brauchen - nodig hebben, behoefte hebben aan
trennen scheiden
heilen helen, gezond maken
genesen * genezen, gezond worden
sich erholen (zich) herstellen, beter worden
lecken likken; lekken
umziehen verhuizen
sich umziehen zich omkleden
lügen liegen
bekennen x bekennen, belijden
gestehen * bekennen, opbiechten
leugnen ontkennen
ignorieren negeren
üben (uit)oefenen
trainieren trainen
teilen delen
verteilen verdelen
stehlen stelen
besitzen bezitten
verwalten beheren
leihen + lenen
mieten huren
schießen schieten
beschließen besluiten
entscheiden + beslissen
gehorchen D gehoorzamen
(ver)brennen x (ver)branden
kämpfen - vechten, strijden
bekämpfen - bevechten, bestrijden
besiegen - verslaan, overwinnen
entdecken ontdekken
enthüllen onthullen
verdienen verdienen
interessieren interesseren
lächeln glimlachen
schenken - schenken
entfernen verwijderen
tauchen - duiken
kontrollieren controleren

Duitse werkwoorden (deel 6)
Duits Nederlands
verprügeln - in elkaar slaan
rennen x rennen
schneiden snijden, knippen, snoeien
kleben plakken, lijmen, kleven
leimen lijmen
haften (vast)kleven, hechten; aansprakelijk zijn
angreifen aanvallen
attackieren - aanvallen
anfallen aanvallen; ontstaan
verteidigen verdedigen
mähen maaien
anschalten - aandoen, inschakelen
einschalten - aandoen, inschakelen
warnen waarschuwen
verständigen inlichten
wiederholen herhalen
zusammenstellen samenstellen
komponieren componeren
(er)sparen (be)sparen
entwickeln ontwikkelen
kontaktieren - contact opnemen met
ausgeben uitgeven
raten + D raad geven, aanraden; raden
erraten + (succesvol) raden
gleichen lijken op
ähneln - D lijken op
stechen steken, prikken
vermeiden vermijden
geschehen + 3p gebeuren, overkomen
sich ereignen - 3p gebeuren, tot stand komen
vorkommen gebeuren, voorkomen
stattfinden gebeuren, plaatsvinden
vorfallen 3p gebeuren, voorvallen
vergleichen vergelijken
programmieren programmeren [informatica]
planen plannen
improvisieren improviseren
genügen - D volstaan, toereikend/genoeg zijn
ausreichen - volstaan, toereikend/genoeg zijn
speichern - bewaren, opslaan
lagern - bewaren, opslaan
aufbewahren - bewaren, opslaan
bewahren bewaren, behouden
weglassen weglaten; laten gaan
verschweigen verzwijgen
verheimlichen - geheimhouden
hinzufügen toevoegen
graben graven
buddeln - graven [meestal met hand of klauw]
begraben begraven [meestal definitief, ook figuurlijk]
vergraben begraven [eventueel tijdelijk]
verwirren verwarren, in de war brengen
verwechseln verwarren, door elkaar halen, verwisselen
wiegen +/- wegen [sterk]; wiegen, schommelen [zwak]
töten doden
ermorden vermoorden
umbringen ombrengen, vermoorden
verwunden verwonden
verletzen verwonden; kwetsen; schenden, overtreden
bestätigen bevestigen, bekrachtigen
(sich) ausdrücken (zich) uitdrukken; uitpersen
(sich) äußern (zich) uiten
stören (ver)storen
ordnen ordenen
bestellen bestellen; [akker] bewerken; [boodschap] overbrengen
befehlen D bevelen
empfehlen aanbevelen
bitten + verzoeken, vragen, smeken, uitnodigen
ersuchen - verzoeken
erfordern vereisen
verlegen - verplaatsen; verzetten [afspraak]; versperren; uitgeven [boek]

Duitse werkwoorden (deel 7)
Duits Nederlands
biegen (ver)buigen [algemeen]
beugen (ver)buigen [lichaamsdelen, taalkunde, figuurlijk]
rutschen - glijden
gleiten glijden
(ein-/aus)atmen (in-/uit)ademen
protestieren protesteren
demonstrieren demonstreren
transformieren transformeren
bellen blaffen
beißen bijten
konsultieren raadplegen
diskutieren discussiëren
besprechen bespreken
behaupten beweren
saugen zuigen
lutschen - (likkend) zuigen
blasen blazen
pusten - blazen
abschließen afsluiten
bestimmen bepalen, vaststellen, bestemmen
fischen vissen
angeln vissen, hengelen
ablehnen weigeren, afwijzen, verwerpen
korrigieren corrigeren
berichtigen rechtzetten, corrigeren
konfrontieren confronteren
ersetzen - vervangen
(be)urteilen (be)oordelen
verurteilen veroordelen
bewerten beoordelen [waarde]
schätzen (op waarde) schatten, taxeren, waarderen
vermissen missen [vaststelling; gevoel]
verpassen missen [doel; gelegenheid]
versorgen verzorgen
pflegen verplegen, verzorgen
betreuen zorgen voor, begeleiden
handeln handelen [optreden; handeldrijven]
vorhaben van plan zijn
meinen menen; bedoelen
verführen verleiden
verleiten verleiden
zusammenfassen samenvatten; samenvoegen
zusammenfügen samenvoegen
verhindern voorkomen, verhinderen
rollen rollen
strömen stromen
fließen + vloeien
unterrichten - onderwijzen, lesgeven; informeren
lehren (aan)leren, onderwijzen, doceren
beibringen x bijbrengen [(aan)leren; informeren]; toebrengen; aanleveren
beleidigen beledigen
kränken beledigen, krenken, kwetsen
(be)schimpfen - (uit)schelden
fluchen vloeken
produzieren produceren
trauern rouwen, treuren
leiden lijden
(be)strafen (be)straffen
bauen bouwen
errichten oprichten, bouwen, stichten
abreißen + afscheuren, afbreken, slopen
abbrechen afbreken [demonteren; voortijdig beëindigen]

Duitse werkwoorden (deel 8)
Duits Nederlands
akzeptieren accepteren
anerkennen x erkennen, goedkeuren, accepteren
ablenken [iemand] afleiden; van richting doen veranderen
ableiten afleiden, afvoeren, ontlenen
(sich) konzentrieren (zich) concentreren
führen leiden
leiten leiden
lenken leiden, sturen
seufzen (ver)zuchten
stöhnen zuchten, steunen, kreunen
schlucken slikken, opslokken
ersticken (ver)stikken
konkurrieren concurreren
wetteifern wedijveren
aussprechen uitspreken
verursachen veroorzaken
auslösen - veroorzaken, teweegbrengen, activeren, uitlokken
untersuchen - onderzoeken
trösten troosten
kommunizieren communiceren
sich verständigen communiceren
betrügen + bedriegen, oplichten
täuschen - bedriegen, misleiden
irreführen - misleiden, op een dwaalspoor brengen
versagen falen, tekortschieten; weigeren
scheitern mislukken, falen
fehlschlagen + 3p mislukken
misslingen + D 3p mislukken
herausfordern uitdagen, provoceren
(unter)stützen (onder)steunen
opfern (op)offeren
überraschen verrassen
verpflichten verplichten
nötigen - dwingen
(er)zwingen (af)dwingen
durchsetzen doorzetten, doordrijven
realisieren realiseren
verwirklichen verwezenlijken
erreichen bereiken
vorschlagen + voorstellen, een voorstel doen
suggerieren suggereren
wechseln wisselen
bearbeiten bewerken, behandelen
anpassen aanpassen
erschrecken +/- schrikken [sterk]; doen schrikken [zwak]
unterscheiden + onderscheiden
sich unterscheiden + verschillen
anrufen + aanroepen, oproepen, (op)bellen
telefonieren telefoneren, bellen
entlassen ontslaan; vrijlaten
kündigen - ontslaan; opzeggen
wahrnehmen waarnemen
beobachten - waarnemen, observeren, gadeslaan
observieren observeren
erledigen afhandelen
schrumpfen krimpen
(be)drohen D (be)dreigen
beschäftigen - bezighouden, tewerkstellen, in dienst hebben
einladen + uitnodigen; inladen
schaffen +/- scheppen, creëren [sterk]; klaarspelen, halen, redden [zwak]

Duitse werkwoorden (deel 9)
Duits Nederlands
verzichten - opgeven, afzien (van)
ermitteln vaststellen, opsporen; berekenen; een onderzoek instelllen
identifizieren identificeren
unterzeichnen ondertekenen
unterschreiben + onderschrijven [inf.], ondertekenen
malen schilderen
zeichnen tekenen
porträtieren portretteren
(ver)bessern verbeteren
verschlechtern verslechteren
bremsen remmen [let. + fig.]
verlangsamen vertragen
verzögern vertragen; uitstellen
beschleunigen versnellen, bespoedigen
verschieben + verschuiven [plaats; tijd] [ook: illegaal verkopen]
sich verspäten te laat zijn, vertraagd zijn
zurückstellen terug-/achteruit-/opzijzetten; uitstellen
schwitzen zweten
betonen benadrukken, beklemtonen [let. + fig.]
unterstreichen + onderstrepen [let. + fig.]
hervorheben + benadrukken, accentueren, doen uitkomen
herausstellen - benadrukken, naar voren brengen; buitenzetten
sich herausstellen - blijken, aan het licht komen
pflücken plukken
sammeln verzamelen
verbrauchen verbruiken, consumeren
konsumieren verbruiken, consumeren
gelangen geraken, bereiken
begrüßen begroeten, verwelkomen
stattgeben + inwilligen
verbinden verbinden [alle betekenissen]
(ver)knüpfen - (ver)binden, (vast)knopen, koppelen
anschließen aansluiten
stürzen - vallen, storten; omverwerpen
kleckern morsen, knoeien
bedecken bedekken
vortäuschen - doen alsof, veinzen, voorwenden
simulieren - simuleren, doen alsof, veinzen
ehren eren
feiern (feest)vieren
teilnehmen * deelnemen, meedoen
sich beteiligen - deelnemen, meedoen
verraten + verraden
respektieren respecteren, eerbiedigen
vorbereiten voorbereiden, klaarmaken
bluten bloeden
beten - bidden
benötigen - nodig hebben
aufgeben * opgeven [alle betekenissen]
(an)locken - (aan)trekken, (aan)lokken
spionieren spioneren
bespitzeln bespioneren
spähen gluren, spieden
lauern loeren, op de loer liggen
erfinden uitvinden, verzinnen, bedenken
ersinnen verzinnen, bedenken
versichern verzekeren
garantieren garanderen, waarborgen
gewährleisten garanderen, waarborgen
laden + laden, beladen, inladen, opladen
hochladen + uploaden
herunterladen + downloaden
überzeugen overtuigen
überreden overhalen, overreden
veranlassen - aanleiding geven tot, teweegbrengen; bewerkstelligen, zorgen voor
bewirken - bewerkstelligen, teweegbrengen, veroorzaken

Duitse werkwoorden (deel 10)
Duits Nederlands
abraten + D afraden, ontraden
erkunden - onderzoeken, verkennen
(er)forschen - onderzoeken, verkennen
anstecken - aansteken [in brand steken; besmetten] [ook: opspelden, omdoen [ring]]
infizieren infecteren, besmetten
reifen rijpen
(ver)trauen D vertrouwen [trauen ook: in het huwelijk verbinden]
anvertrauen toevertrouwen
straffen strak(ker) maken, strak spannen [ook: stroomlijnen [figuurlijk]]
segnen zegenen
verfluchen vervloeken, verwensen
verwünschen vervloeken, verwensen
betreffen betreffen; treffen, raken [figuurlijk]
angehen * aangaan [o.a.: betreffen; beginnen met branden; de strijd aanbinden met]
tippen tikken; typen; tippen
vibrieren trillen, vibreren
hän­gen +/- hangen [sterk]; ophangen, laten hangen [zwak]
(sich) neigen (over)hellen, buigen, neigen
reichen reiken, zich uitstrekken; aanreiken; toereikend zijn
(an)streben streven (naar)
(ab)zielen mikken/richten (op)
eingreifen ingrijpen
verdächtigen - verdenken
entsprechen + D overeenkomen/overeenstemmen met; voldoen/beantwoorden aan
übereinstimmen overeenstemmen, overeenkomen
greifen grijpen, pakken, vatten, reiken
gründen stichten, oprichten; baseren, funderen, gronden
absagen - afzeggen
verhängen opleggen [straf, beperking] [ook: afdekken]
auferlegen opleggen [straf, beperking]
starten (op)starten
sich übergeben * braken, overgeven, kotsen
(sich) erbrechen + braken, overgeven, kotsen
beheben + verhelpen, herstellen, oplossen
abhelfen verhelpen; afhelpen [helpen naar beneden te komen]
beseitigen verwijderen, verhelpen [door wegneming] [informeel ook: vermoorden]
widmen toewijden, opdragen
vernachlässigen verwaarlozen
aktualisieren bijwerken, actualiseren
fördern bevorderen, stimuleren, vooruithelpen [ook: delven [mijnbouw], (olie) winnen]
befördern vervoeren; bevorderen [met name in rang]
ermutigen aanmoedigen, bemoedigen
anregen prikkelen, stimuleren, aansporen
ankündigen aankondigen
rächen - wreken, vergelden
addieren optellen
betteln bedelen
erben erven
veruntreuen verduisteren, ontvreemden
unterschlagen + verduisteren, achterhouden, verzwijgen [ook: armen/benen over elkaar slaan]
einbeziehen + betrekken (in/bij); meetellen, meerekenen
schmelzen + smelten, doen smelten
gehören D (toe)behoren; nodig zijn
streiken staken
versöhnen verzoenen
befriedigen bevredigen [o.a. sexueel]
zufriedenstellen tevredenstellen
verbringen x doorbrengen [tijd]
wehtun * D pijn doen [pijn veroorzaken; iets doet pijn]
klagen klagen
sich verirren verdwalen
sich beeilen zich haasten
erkranken ziek worden
sich gewöhnen (an) wennen (aan)

Duitse werkwoorden (deel 11)
Duits Nederlands
erzielen behalen, bereiken
verarbeiten verwerken [ook geestelijk]
bewältigen - aankunnen, de baas worden, verwerken
verkraften - aankunnen, verwerken
reagieren reageren
gefallen D bevallen, aanstaan
missfallen D niet bevallen/aanstaan [formeel]
gratulieren D feliciteren
beglückwünschen feliciteren
passen D passen [alle betekenissen]
widersprechen D tegenspreken
schmecken D smaken; proeven [smaak waarnemen]
schaden D schaden, schade toebrengen
schädigen - schaden, schade toebrengen
beschädigen beschadigen [fysiek]
beeinträchtigen belemmeren, aantasten
betrachten beschouwen
berücksichtigen - rekening houden met
melden melden
berichten berichten
aufblasen opblazen [letterlijk]
sprengen - opblazen [figuurlijk]; openbreken; sproeien, sprenkelen
herausgeben * publiceren, uitgeven; teruggeven [ook wisselgeld]; aangeven, aanreiken
veröffentlichen publiceren
publizieren publiceren
gebären + baren, ter wereld brengen
(ver)stärken versterken
festigen verstevigen, consolideren
de­bü­tie­ren debuteren
kitzeln kietelen
streicheln strelen, aaien
weisen wijzen [formeel]; wegsturen [soms ook: uitwijzen, bewijzen]
hinweisen (auf) wijzen (op), verwijzen (naar)
beweisen bewijzen, aantonen
nachweisen bewijzen, aantonen
einschränken beperken, inperken
präsentieren presenteren
füllen vullen
verabschieden afscheid nemen van; aannemen [wet, voorstel]
(be)herrschen (be)heersen
regieren regeren
dominieren domineren
überqueren oversteken
(ver)spüren bespeuren, (be)merken, voelen
empfinden + ervaren, voelen
sorgen (für) zorgen (voor)
sich sorgen zich zorgen maken
aufpassen oppassen, opletten
achten achting betonen, eerbiedigen; in acht nemen, letten op [+auf]
beachten in acht nemen, letten op
beitreten D toetreden tot, zich aansluiten bij, lid worden van
zugreifen toegrijpen, ingrijpen, toeslaan; toegang hebben [ICT] [soms ook: aanpakken]
profitieren profiteren
sich bedienen G gebruik maken van
ausnutzen gebruik maken van, uitbuiten, exploiteren
kriechen kruipen
wetten wedden
zocken gokken [informeel] [inf. ook: computerspel spelen]
verantworten verantwoorden, verantwoording afleggen
rechtfertigen rechtvaardigen
reimen rijmen
verdoppeln verdubbelen
halbieren halveren
beeinflussen beïnvloeden
einfügen invoegen
sich einfügen (in) zich schikken (in), zich aanpassen (aan)
flüstern fluisteren
tuscheln (heimelijk) fluisteren

Duitse werkwoorden (deel 12)
Duits Nederlands
vertragen verdragen, kunnen tegen
sich vertragen (goed) overweg kunnen, (goed) bij elkaar passen
bemängeln bekritiseren, aanmerkingen maken op
treiben drijven, opdrijven, aandrijven, bedrijven
sinken zinken, dalen, zakken
kauen kauwen
stimmen kloppen, in orde zijn; stemmen [alle betekenissen]
klirren kletteren, rinkelen
rasseln rammelen, rinkelen
investieren investeren
applaudieren applaudisseren
informieren informeren
finanzieren financieren
messen meten
schwören zweren, een eed afleggen
(sich) anstrengen (zich) inspannen/vermoeien
schuften zwoegen, ploeteren, hard werken
genehmigen goedkeuren, toestaan
billigen goedkeuren, billijken
ruinieren ruïneren
entwerfen ontwerpen
überlegen - overdenken, overwegen, nadenken, bedenken [ook: leggen over; als bijv.nw.: superieur]
nachdenken x nadenken
stoßen + stoten
(zer)reißen + (ver)scheuren
darstellen uitbeelden, voorstellen; spelen [rol]; vormen, betekenen
bieten bieden
empfangen ontvangen
vorangehen * vooropgaan; voorafgaan [onpers.]; opschieten, vorderen [onpers.]
vorausgehen * vooruitgaan, vooruitlopen; voorafgaan [onpers.]
erwähnen vermelden, noemen
berechnen berekenen; in rekening brengen
begehen * plegen, begaan, bedrijven [ook: belopen]
verüben plegen, begaan, bedrijven
unterlassen nalaten, achterwege laten
versäumen verzuimen, missen [gelegenheid]
nachlassen minder/zwakker worden, verminderen, verzwakken
belegen beleggen, leggen op; bezetten, reserveren; bewijzen
(sich) ärgern (zich) ergeren
stecken - steken, zitten [iets bevindt zich ergens]; steken, stoppen [iets ergens plaatsen]
ansehen aankijken, aanzien, kijken naar, bekijken; beschouwen (als)
reiben + wrijven, schuren; raspen, schaven
schmieren smeren [besmeren, invetten]; kladden, bekladden; omkopen
bestechen omkopen; (iemand) betoveren, imponeren
beeindrucken indruk maken op, imponeren
falten vouwen
jubeln juichen
jauchzen juichen
umsteigen overstappen [let. + fig.]
prägen - (munt) slaan, in-/afdrukken, stempelen, vormen, kenmerken
schütteln schudden
veranstalten organiseren
leisten - presteren, tot stand brengen
sich leisten D zich veroorloven
betätigen bedienen, in werking stellen, in praktijk brengen
sich betätigen werkzaam/actief zijn (op enigerlei wijze of in een bepaalde rol)
einkaufen - winkelen, boodschappen doen; inkopen
spritzen - spuiten, sproeien; spatten, spetteren; injecteren
injizieren injecteren, inspuiten
impfen inenten, vaccineren [ook: enten [plantkunde]]