Werkwoord in de onvoltooid tegenwoordige tijd - das Verb im Präsens
Duitse werkwoorden zijn voor het gemak in te delen in drie groepen:
- regelmatige zwakke en sterke werkwoorden
- (werkelijk) onregelmatige werkwoorden
- modale hulpwerkwoorden + 'wissen'


Regelmatig werkwoord - das regelmäßige Verb

Vorming: stam (infinitief minus -en) + uitgang.

Standaard regelmatig
persoon uitgang
ich
-e
du
-st
er / sie / es
-t
wir
-en
ihr
-t
sie / Sie
-en

Opmerkingen:
- een werkwoord waarvan de stam eindigt op -s, -ss, -ß, -z, of -x (de 's'-klanken behalve -sch) krijgt in de du-vorm alleen een -t als uitgang
- een werkwoord waarvan de stam eindigt op -d of -t krijgt in de du-, er/sie/es- en ihr-vorm een extra 'e' tussen stam en uitgang

De stam van een zwak werkwoord blijft onveranderd voor alle vervoegingen.
De stam van een sterk werkwoord ondergaat een klinkerverandering voor du en er/sie/es als het een a(u)- of e-klank betreft:
a(u) --> ä(u), korte 'e' --> i, lange 'e' --> ie.

Uitzonderingen:
- gehen, stehen en heben zijn sterk maar gedragen zich zwak (dus geen klinkerverandering)
- bij nehmen (nimmst, nimmt) en geben (gibst, gibt): lange 'e' wordt i (i.p.v. ie) en bij nehmen verdwijnt de 'h' en wordt de 'm' verdubbeld.


Hulpmiddelen en oefeningen:
- Bijles Duits: uitlegvideo's en oefeningen (zie les 1, 2 en, 3) (let op: foutieve vermelding van -sch in de uitlegvideo van les 2)
- Zelfgemaakte Sporcle-quiz (typ): vervoegen van regelmatig zwakke werkwoorden


Onregelmatige werkwoorden - die unregelmäßige Verben

De drie (werkelijk) onregelmatige werkwoorden
werkwoord ich
du
er/sie/es
wir
ihr
sie / Sie
sein
bin
bist
ist
sind
seid
sind
haben
habe
hast
hat
haben
habt
haben
werden
werde
wirst
wird
werden
werdet
werden

Opmerking:
- bij sein wijken alle vormen af van de basisregels, bij haben en werden alleen de vormen van de tweede en derde persoon enkelvoud

Hulpmiddelen en oefeningen:
- Bijles Duits: uitlegvideo en oefeningen (zie les 4)
- Zelfgemaakte Sporcle-quiz (typ): vervoegen van de onregelmatige werkwoorden sein, haben en werden


Modale (hulp)werkwoorden - die modalen Hilfsverben

De modale (hulp)werkwoorden + wissen
werkwoord ich
du
er/sie/es
wir
ihr
sie / Sie
dürfen
darf
darfst
darf
dürfen dürft dürfen
können
kann
kannst
kann
können könnt können
mögen
mag
magst
mag
mögen mögt mögen
müssen
muss
musst
muss
müssen müsst müssen
sollen
soll
sollst
soll
sollen
sollt
sollen
wollen
will
willst
will
wollen
wollt
wollen
wissen
weiß
weißt
weiß
wissen
wisst
wissen

Opmerkingen:
- de eerste en derde persoon enkelvoud hebben geen uitgang
- alle vormen van het enkelvoud ondergaan een klinkerverandering, behalve bij sollen
- wissen is geen modaal (hulp)werkwoord maar vervoegt wel op dezelfde wijze

Hulpmiddelen en oefeningen:
- Bijles Duits: uitlegvideo en oefeningen (zie les 10)


Sterke werkwoorden - die starke Verben

- in het Nederlands is een werkwoord sterk als de stamklinker van klank verandert van o.t.t. naar o.v.t.
- in het Duits verandert de stamklinker van een sterk werkwoord eveneens van o.t.t. naar o.v.t maar soms ook al bij de 2e/3e pers. ev. o.t.t.
- onderstaand volgt een selectie van werkwoorden waarbij Nederlands en Duits verschillen

Hulpmiddelen en oefeningen:
- Bijles Duits: uitlegvideo en oefeningen (zie les 13)


Gemixte werkwoorden - die gemischten Verben

Dit zijn zwakke werkwoorden: ze hebben de uitgangen van een zwak werkwoord en geen klankverandering in de tegenwoordige tijd.
Ze hebben echter wel een klankverandering in de verleden tijd.

denken - dacht - gedacht = denken - dachte - gedacht
brengen - bracht - gebracht = bringen - brachte - gebracht
(be)kennen - kende - gekend = (be)kennen - (be)kannte - gekannt / bekantt
(h)erkennen - (h)erkende - (h)erkend = erkennen - erkannte - erkannt


In het Nederlands zwak maar in het Duits sterk:

groeien - groeide = wachsen - wuchs
fietsen - fietste = Rad fahren - fuhr Rad (vergelijk met Nederlands: varen - voer)
wassen - waste = waschen - wusch
aan-/uitkleden - kleedde aan/uit = an-/ausziehen - zog an/aus
heten - heette = heißen - hieß
lukken - lukte = gelingen - gelang
schreeuwen - schreeuwde = schreien - schrie
vluchten - vluchtte = fliehen - floh (maar er is ook het zwakke alternatief: flüchten - flüchtete)
ruzie maken, twisten - maakte ruzie, twistte = sich streiten - stritt sich
beloven - beloofde = versprechen - versprach
gooien - gooide = werfen - warf (vergelijk met Nederlands: werpen - wierp)
lenen - leende = leihen - lieh

gebeuren - gebeurde = geschehen - geschah (maar er is de meer gebruikte zwakke variant: passieren - passierte)
skiën - skiede = Ski fahren - fuhr Ski (vergelijk met Nederlands: varen - voer)
(op)bellen - belde (op) = anrufen - rief an (vergelijkbaar met Nederlands: aanroepen - riep aan)
solliciteren - solliciteerde = (sich) bewerben - bewarb (mich/sich) (vergelijk met Nederlands: werven - werf)
uitnodigen - nodigde uit = einladen - lud ein
schaatsen - schaatste = Schlittschuh laufen - lief Schlittschuh (vergelijkbaar met Nederlands: lopen - liep)
noemen - noemde = nennen - nannte


In het Nederlands sterk maar in het Duits zwak:

doen - deed = machen - machte (maar er is ook de minder gebruikte sterke variant: tun - tat)
zeggen - zei = sagen - sagte
(ver)kopen - (ver)kocht = (ver)kaufte - (ver)kaufte
(be)zoeken - (be)zocht = (be)suchen - (be)suchte
de voorkeur geven aan = gaf de voorkeur aan = bevorzurgen - bevorzugte (maar er is ook het sterke alternatief: vorziehen - zog vor)
houden van - hield van = lieben - liebte
winnen - won = siegen - gesiegte (maar er is ook het sterke alternatief: gewinnen - gewann)
denken - dacht = denken - dachte
vragen - vroeg = fragen - fragte
krijgen - kreeg = kriegen - kriegte
kijken - keek = gucken/kucken / schauen - guckte/kuckte / schaute
bewegen - bewoog = bewegen - bewegte (in de betekenis '(iemand) bewegen tot' is het wel sterk: bewog)
ophouden - hield op = aufhören - hörte auf
doorgaan - ging door = weitermachen - machte weiter
ontbreken - ontbrak = fehlen - fehlte
pijn doen - deed pijn = schmerzen = schmerzte (alleen derde persoon: 'iets' doet pijn)
gaan zitten - ging zitten = sich setzen - setzte mich/sich
verliefd worden - werd verliefd = sich verlieben - verliebte mich/sich
(zich) pijn doen - deed (zich pijn) = (sich) verletzen - verletzte (mich/sich)
verblijven - verbleef = weilen - weilte
bestaan - bestond = existieren - existierte
onthouden - onthield = sich merken - merkte sich
zenden - zond = senden - sendete --> dit werkwoord kent echter ook een sterke vervoeging
kiezen - koos = wählen - wählte
overeenkomen, afspreken - kwam overeen, sprak af = vereinbaren = vereinbarte
klimmen - klom = klettern - kletterte
(be)vechten, (be)strijden - (be)vocht, (be)streed = (be)kämpfen - (be)kämpfte
schenken - schonk = schenken - schenkte
duiken - dook = tauchen - tauchte