Voornaamwoorden: persoonlijk, bezittelijk en betrekkelijk - die Pronomen

Persoonlijk voornaamwoord - das Personalpronomen / persönliches Fürwort

Persoonlijk voornaamwoord - enkelvoud
naamval 1e persoon
2e pers.
3e pers. man.
3e pers. vrw.
3e pers. onz.
Nederlands
ik  (mij)
jij  (jou)
hij  (hem)
zij  (haar)
het
Nominativ
ich
du
er
sie
es
Genitiv
meiner
deiner
seiner
ihrer
seiner
Dativ
mir
dir
ihm
ihr
ihm
Akkusativ
mich
dich
ihn
sie
es


Persoonlijk voornaamwoord - meervoud
naamval 1e persoon    
2e persoon
3e persoon
Nederlands
wij  (ons) jullie
zij  (hun / hen) / u
Nominativ
wir
ihr
sie / Sie
Genitiv
unser
euer
ihrer / Ihrer
Dativ
uns
euch
ihnen / Ihnen
Akkusativ
uns
euch
sie / Sie

Opmerkingen:
- de formele tweede persoon ('u') gebruikt in het Duits de vormen van de derde persoon meervoud en begint altijd met een hoofdletter
- het persoonlijk voornaamwoord van de Genitiv wordt in de hedendaagse taal niet meer gebruikt

Hulpmiddelen en oefeningen:
- Bijles Duits: uitlegvideo en oefeningen m.b.t. eerste naamval (zie les 9)
- Bijles Duits: uitlegvideo en oefeningen m.b.t. vierde naamval (zie les 18)
- Bijles Duits: uitlegvideo en oefeningen m.b.t. derde naamval (les 20)

Bezittelijk voornaamwoord - das Possessivpronomen / besitzanzeigendes Fürwort

Het bezittelijk voornaamwoord wordt gevormd door gedeeltelijk of geheel (let op: unser-, euer-) de genitiefvorm van het persoonlijk voornaamwoord te combineren met de uitgang van het onbepaald lidwoord (ein-groep). Naamval en geslacht van de uitgang worden bepaald door het zelfstandig naamwoord waarvoor ze staan. Zie de pagina Naamvallen voor de uitgangen van de ein-groep.

Bezittelijke vnw.
Duits Nederlands
mein-
mijn
dein-
jouw
sein-
zijn
ihr-
haar
unser-
ons, onze
euer-
jullie
ihr- / Ihr-
hun / uw

Hulpmiddelen en oefeningen:
- Bijles Duits: uitlegvideo en oefeningen (zie les 8)

Voorbeeld 1: mijn huis (=onzijdig) in 1e t/m 4e naamval: mein Haus, meines Hauses, meinem Haus, mein Haus.
Voorbeeld 2: onze kinderen (=meervoud) in 1e t/m 4e naamval: unsere Kinder, unserer Kinder, unseren Kindern, unsere Kinder.

Betrekkelijk voornaamwoord - das Relativpronomen / bezügliches Fürwort

Betrekkelijk voornaamwoord
naamval mannelijk  
vrouwelijk
onzijdig
meervoud
Nominativ
der
die
das
die
Genitiv
dessen
deren
dessen
deren
Dativ
dem
der
dem
denen
Akkusativ
den
die
das
die

De afwijkingen t.o.v. het bepaald lidwoord:
- Genitiv: des en der wordt resp. dessen en deren
- Dativ: meervoudsvorm den wordt denen

Hulpmiddelen en oefeningen:
- Bijles Duits: uitlegvideo (les 35)