Verkeer en vervoer

Zelfgemaakte Sporcle-quiz (typ): oefen alle woorden aangaande verkeer en vervoer Duits-Nederlands
Zelfgemaakte Sporcle-quiz (typ): oefen alle woorden aangaande verkeer en vervoer Nederlands-Duits
Zelfgemaakte Sporcle-quiz (slideshow): oefen de vervoermiddelen met afbeeldingen


Verkeer en vervoer
Duits Nederlands
Verkehr (m)
verkeer
Transport (m)
vervoer
(Kraft)fahrzeug
(motor)voertuig
(Fahr)rad (n) [-räder]
fiets
Moped (n) [+s]
bromfiets, brommer
Motorroller (m)
scooter
Motorrad (n) [Motorräder]
motor(fiets)
Auto(mobil) (n), Kraftwagen (m)
auto(mobiel)
Last(kraft)wagen, Lkw (m)
vrachtwagen
(Auto-/Omni-)bus (m) [+se]
(auto)bus
Taxi (n)
taxi
Straßenbahn, Tram(bahn) (f)
tram
U-Bahn, Metro (f)
metro
Zug (m)
trein
Boot (n)
boot
Schiff
schip
Flugzeug
vliegtuig
Bushaltestelle
bushalte
Bahnhof (m)
(trein)station
Flughafen (m) [-häfen]
luchthaven, vliegveld
Weg (m)
weg, pad
Straße
straat, weg
Seitenstraße zijweg, zijstraat
Autobahn (f)
(auto)snelweg
Kreuzung (f)
kruispunt, kruising
Kreisverkehr (m)
rotonde
Kreisel (m)
rotonde [ook: tol]
Platz (m)
plein [ook: plaats, plek]
Markt (m)
markt
Brücke
brug
Tunnel (m)
tunnel
Gasse
steeg
Pfad (m) [Pfade]
pad
Fußweg (m)
voetpad
Gehweg (m)
stoep, trottoir
Gehsteig (m)
stoep, trottoir
Bürgersteig (m) stoep, trottoir
Trottoir (n) [+s]
stoep, trottoir
(Fahr)radweg (m)
fietspad
(Verkehrs)ampel (f)
verkeerslicht
Zebrastreifen (m)
zebrapad
Kurve (f)
bocht
geradeaus
rechtdoor
links
links
rechts
rechts
zurück
terug
rückwärts
achteruit
Parkplatz (m)
parkeerplaats/-terrein