Personen en familie
QUIZ: woorden aangaande personen en familie Duits-Nederlands
QUIZ: woorden aangaande personen en familie Nederlands-Duits
Personen en familie
Duits Nederlands
Mensch (m) [+en) mens
Mann [Männer] man, echtgenoot
Frau [+en] vrouw, mevrouw, echtgenote
Person (f) persoon
Leute (pl) mensen, lui
Herr [+en] meneer
Freund vriend
Freundin vriendin
Verlobter [.] verloofde (m)
Verlobte verloofde (v)
Kind [+er] kind
Junge jongen
Mädchen meisje
Familie familie, gezin
Elternteil (m) ouder (m/v)
Vater [Väter] vader
Mutter [Mütter] moeder
Papa papa
Mama mama
Sohn zoon
Tochter [Töchter] dochter
Bruder [Brüder] broer
Schwester zus
Großelternteil (m) grootouder
Großvater [-väter] grootvader, opa
Opa grootvader, opa
Großmutter [-mütter] grootmoeder, oma
Oma grootmoeder, oma
Enkelkind [+er] kleinkind
Enkel kleinzoon
Enkelsohn kleinzoon
Enkelin kleindochter
Enkeltochter [.] kleindochter
Neffe neef [zoon v. b/z]
Nichte nicht [dochter v. b/z]
Onkel oom
Tante tante
Cousin [+s] neef [zoon v. o/t]
Vetter [+n] neef [zoon v. o/t]
Cousine, Kusine nicht [dochter v. o/t]
Baby (n) baby, zuigeling
Säugling (m) baby, zuigeling
Erwachsener volwassene (m)
Erwachsene volwassene (v)