Muziek
QUIZ: muziek Duits-Nederlands
QUIZ: muziek Nederlands-Duits
Muziek
Duits Nederlands
Musik muziek
(Musik)instrument (muziek)instrument
Musikant (f:+in) Z muzikant
Musiker (f: +in) (professioneel) muzikant, musicus
Schall (m) geluid [algemeen en wetenschappelijk]
Laut (m) [+e] geluid [geproduceerd door mens of dier]
Geräusch geluid, (ge)ruis [willekeurig geluid]
Klang (m) klank [ook: reputatie]
Ton (m) [+e] toon
(Musik)note (muziek)noot
Lied [+er] lied
Gesang (m) (ge)zang
(Musik)stück muziekstuk
Sänger (f: +in) zanger(es)
Band (f) [+s] {EN} muziekgroep, band
Chor (m) koor
Komponist (f: +in) Z componist(e)
Dirigent (f: +in) Z dirigent
klassische Musik klassieke muziek
Konzert concert
Konzertsaal (m) [-säle] concertzaal
Konzerthalle concertzaal, concertgebouw
Konzerthaus concertzaal, concertgebouw
Oper (f) opera
Opernhaus operagebouw, -huis
Arie [i-e] aria
Sinfonie, Symphonie symfonie
Satz (m) beweging [deel v.e. muziekstuk] [ook: zin [taalk.], set [tennis]]
Stimme stem [zang, muziek; ook in politieke zin]
Orchester orkest
Melodie melodie
Harmonie harmonie
Rhythmus (m) ritme
Tempo {IT} tempo
Zeitmaß tempo
Orgel (f) orgel
Klavier (n) piano
Gitarre gitaar
Schlagzeug drumstel
Violine viool
Geige viool
Bratsche altviool
Viola {IT} altviool
(Violon)cello (n) {IT} cello
(Kontra)bass (m) (contra)bas
(Quer)flöte (dwars)fluit
Oboe hobo
Klarinette klarinet
Fagott (n) fagot
(Wald)horn (n) [-hörner] (Franse) hoorn
Trompete trompet
Posaune trombone
Tuba tuba
Harfe harp
Piccoloflöte, Pikkoloflöte, Piccolo (n) piccolo
Saxophon, Saxofon (n) saxofoon
Blockflöte blokfluit
Keyboard (n) [+s] {EN} keyboard [ook: toetsenbord [computer]]
Klaviatur (f) klavier, toetsenbord
Takt (m) [+e] maat [ook: tact]
Saite snaar
Marsch (m) mars
Streichquartett strijkkwartet




Extra woorden per categorie

Muziek: algemeen
Duits Nederlands
Konservatorium conservatorium
Musikhochschule conservatorium, hogeschool voor muziek
Auditorium auditorium
Akustik akoestiek
Musikrichtung muzieksoort, -stijl, -genre
Blasorchester blaasorkest
Noten (f-pl) bladmuziek
Falsett (n) kopstem, falsetto
Kopfstimme kopstem
Lautstärke geluidssterke, volume
Solo (n) solo
Duett duet
Single [+s] {EN} single
Hit (m) [+s] {EN} hit
Hitparade, Hitliste hitparade, -lijst
(Musik)album (muziek)album
(Zu)hörer (f: +in) luisteraar
Bühne podium, toneel

Muziek: instrumenten
Duits Nederlands
E-Gitarre elektrisch gitaar
Bassgitarre basgitaar
Synthesizer (m) {EN} synthesizer
Streichinstrument strijkinstrument
Saiteninstrument snaarinstrument
Chordophon (n) snaarinstrument [vaktaal]
Blasinstrument blaasinstrument
Holzblasinstrument houtblaasinstrument
Blechblasinstrument koperblaasinstrument
Perkussion slagwerk, percussie
Schlaginstrument slag-/percussieinstrument
Pauken (f-pl) pauken
Große Trommel (f) bas(s)drum, grote trom
Xylophon, Xylofon (n) xylofoon
Becken bekken, cimbaal [ook o.a.: bekken [anatomie]]
Triangel [m,f,n] triangel
Mundharmonika mondharmonica
Akkordeon (n) [+s] accordeon
Cembalo (n) klavecimbel
Pfeifenorgel (f) pijporgel

Muziek: techniek en hulpmiddelen
Duits Nederlands
Tonaufnahme, Tonaufzeichnung geluidsopname, -registratie
Tonstudio, Aufnahmestudio (n) [+s] opname-/geluidsstudio
Mischpult (n) mengpaneel/-tafel
Lautsprecheranlage geluidsinstallatie
Stereoanlage stereotoren
Lautsprecher (m) luidspreker, speaker
Tonspur (f) geluidsspoor
Mikrofon, Mikrophon (n) [inf.: Mikro] microfoon
Pult (n) lessenaar
Metronom (n) metronoom
Plektrum [-en/-a] plectrum
Taste toets [v.e. instrument] [ook: knop]
Bogen (m) strijkstok [ook: boog, gewelf, blad (papier)]
Rohrblatt (n) [-blätter] riet [mondstuk voor rietblazers]
(Instrumenten)mundstück mondstuk (voor blaasinstrumenten)
Stimmung stemming, stemmen v.e. instrument [ook: humeur]
Taktstock (m) dirigeerstok, baton
(Schall)plattenspieler (m) platenspeler
Grammophon, Grammofon (n) grammofoon
Schallplatte grammofoonplaat
Langspielplatte lp, elpee
(Musik)kassette muziekcassette, cassettebandje
CD (f) cd
DVD (f) dvd

Muziek: personen
Duits Nederlands
Solist (f: +in) Z solist(e)
Orchestermitglied (n) [+er] orkestspeler, -lid
Konzertmeister (f: +in) concertmeester
Kapellmeister (f: +in) kapelmeester
Straßenmusikant (f: +in) Z straatmuzikant
Straßenmusiker (f: +in) (professioneel) straatmuzikant
Singer-Songwriter (f: +in) {EN} singer-songwriter
Tontechniker (f: +in) geluidstechnicus, geluidsman
Toningenieur (f: +in) geluidstechnicus, geluidsman
DJ, Discjockey, Diskjockey {EN} diskjockey, dj
Tenor (m) tenor [ook: teneur]
Sopran (m) [+e] sopraan
Gitarrist (f: +in) Z gitarist
Schlagzeuger (f: +in) drummer, slagwerker, percussionist
Organist (f: +in) Z organist
Pianist (f: +in) Z pianist
Klavierspieler (f: +in) pianist
Geiger (f: +in) violist
Violinist (f: +in) Z violist

Muziek: soorten
Duits Nederlands
Walzer (m) wals
Operette operette
Oratorium oratorium
Jazz (m) {EN}, Jazzmusik {EN-DE} jazz(muziek)
Popmusik popmuziek
Rock (m), Rockmusik rock(muziek)
Musik des Mittelalters, Mittelalterliche Musik middeleeuwse muziek
Renaissancemusik {FR-DE} renaissancemuziek
Barockmusik barokmuziek
Musik der Romantik romantische muziek
Shanty (n) zeemanslied, shanty
Volkslied volksliedje
Hymne hymne, lofzang
Nationalhymne (nationaal) volkslied

Muziek: theorie
Duits Nederlands
Musiktheorie muziektheorie
Partitur (f) partituur
Noten(linien)system (n) notenbalk
Notenlinien (f-pl) notenbalk
Tabulatur (f) tablatuur
Griffzeichenschrift (f) tablatuur
Komposition compositie
Arrangement [+s] {FR} arrangement, toonzetting
Akkord (m) [+e] akkoord
Refrain (m) [+s] {FR} refrein
Kehrreim (m) refrein
Suite {FR} suite
Klangfarbe klankkleur, tembre
Timbre (n) {FR} klankkleur, tembre
Dynamik dynamiek
(A)tonalität (a)tonaliteit
falsche Note valse noot
Tonhöhe toonhoogte
Notenschlüssel (m) muzieksleutel
Tonart (f) toonsoort
G-/Violinschlüssel vioolsleutel, g-sleutel
ganze Note hele noot
halbe Note halve noot
Viertelnote kwartnoot
Achtelnote achtste noot
Sechzehntelnote zestiende noot
Zweiunddreißigstelnote tweeëndertigste noot
Vorzeichnung (vaste) voortekening
b, Be (n) mol [voorteken]
Kreuz kruis [voorteken; ook algemeen]
Auflösungszeichen herstellingsteken [voorteken]
Pause rust(teken) [ook: pauze]
Verzierung versiering [ook algemeen]
Akzent (m) accent [ook algemeen]
Vorschlag voorslag
Naturtonreihe boventoonreeks
Quintenzirkel (m) kwintencirkel
Tonstufe (toon)trap, trede
Kadenz (f) cadens
Kirchentonart (f) modus, kerktoonladder
Tonleiter (f) toonladder
Skala toonladder
Dur(tonleiter) majeur(toonladder)
Moll(tonleiter) mineur(toonladder)
Ionischer Modus [- Modi] ionische toonladder
Modulation modulatie
Homophonie, Homofonie homofonie
Polyphonie polyfonie
Vielstimmigkeit polyfonie, meerstemmigheid
Umkehrung omkering (van akkoord of interval)
Leitton (m) leidtoon
Triole triool
Vibrato {IT} vibrato
Bebung vibrato
intoniert zuiver (geïntoneerd), gestemd
verstimmt vals (slecht geïntoneerd), ontstemd
Riff (n, m) riff
Phrase lick, loopje, riff, muzikale frase
Crescendo {IT} crescendo (groeiend, luider wordend)
Decrescendo {IT} decrescendo (afnemend, zachter wordend)
Diminuendo {IT} diminuendo (afnemend, zachter wordend)
Legato {IT} legato (gebonden, vloeiend)
Portato {IT} portato (gedragen)
Staccato {IT} staccato (losgemaakt (kort gespeeld))