Kleding
QUIZ: woorden aangaande kleding Duits-Nederlands
QUIZ: woorden aangaande kleding Nederlands-Duits
Kleding
Italiaans Nederlands
Kleidung kleding
Klamotten (f-pl) kleren [informeel]
Anziehsachen (f-pl) kleren [informeel]
Gewand (n) [Gewänder] gewaad; kleding
Kleidungsstück kledingstuk
Kleid (n) [+er] jurk
Anzug (m) pak, kostuum
Schuhwerk schoeisel
Schuh (m) [+e] schoen
Stiefel (m) laars
Holzschuh (m) [+e] klomp
Strumpf (m) kous
Socke sok
Unterwäsche ondergoed
Unterhose onderbroek
Boxershorts (f-pl) boxershort
Hose broek
Shorts (pl) korte broek
Jeans (pl) spijkerbroek
Rock (m) rok
Unterhemd onderhemd, mouwloos hemd
Hemd [+en] overhemd, shirt
Bluse bloes
Pullover, Pulli (m) trui
T-Shirt [+s] t-shirt
Weste vest
Jacke (korte) jas, jasje
Mantel (m) [Mäntel] overjas, lange jas
Regenmantel (m) regenjas
Regenjacke regenjas
Krawatte stropdas
Schlips (m) stropdas
Schal (m) [+s] sjaal
Kopfbedeckung hoofddeksel
Hut (m) hoed
Kappe pet
Mütze muts
Schlafanzug (m) pyjama
Pyjama (m) pyjama
Handschuh (m) [+e] handschoen
Gürtel (m) riem, ceintuur [ook: gordel, zone]
Sonnenbrille zonnebril
Ring (m) ring
(Armband)uhr (f) (pols)horloge
(Hand)tasche (hand)tas