Telwoorden - die Zahlwörter / Numeralien

Zelfgemaakte Sporcle-quiz (typ): vertaal de telwoorden naar het Duits


Hoofdtelwoorden (0-10)
Duits Nederlands
null
0
eins
1
zwei (/zwo)
2
drei
3
vier
4
fünf
5
sechs
6
sieben
7
acht
8
neun
9
zehn
10

Hoofdtelwoorden (11-21)
Duits Nederlands
elf
11
zwölf
12
dreizehn
13
vierzehn
14
fünfzehn
15
sechzehn
16
siebzehn
17
achtzehn
18
neunzehn
19
zwanzig
20
einundzwanzig
21

Hoofdtelwoorden (30-110)
Duits Nederlands
dreißig
30
vierzig
40
fünfzig 50
sechzig
60
siebzig
70
achtzig
80
neunzig
90
(ein)hundert
100
(ein)hundert(und)eins
101
(ein)hundert(und)zehn
110


Hoofdtelwoorden (groot)
Duits Nederlands
zweihundert
200
(ein)tausend
1.000
(ein)tausend(ein)hundert, elfhundert
1.100
zehntausend
10.000
(ein)hunderttausend
100.000
eine Million
1.000.000
zwei Millionen
2.000.000
eine Milliarde
1.000.000.000
zwei Milliarden
2.000.000.000
eine Billion
1.000.000.000.000


Rangtelwoorden
Duits Nederlands
erste
eerste
zweite
tweede
dritte
derde
vierte
vierde
fünfte
vijfde
sechste
zesde
siebte
zevende
achte
achtste
neunte
negende
zehnte
tiende
elfte
elfde
zwölfte twaalfde
dreizehnte
dertiende
zwanzigste
twintigste
einundzwanzigste
eenentwintigste
hundertste
honderdste
tausendste
duizendste

Opmerkingen:
- t/m 19e: hoofdtelwoord + te; afwijkingen voor 1e, 3e, 7e en 8e
- vanaf 20e: hoofdtelwoord + ste
- in plaats van siebte is ook siebente mogelijk
- een rangtelwoord wordt vervoegd zoals een bijvoeglijk naamwoord (zwakke, overwegend zwakke of sterke verbuiging mogelijk)
- afgekort rangtelwoord: getal in Arabische cijfers + punt, bijv. dreiundvierzigste --> 43.
- rangtelwoord als bijwoord: +ns; bijv.: erstens, zweitens, drittens = in de eerste/tweede/derde plaats, ten eerste/tweede/derde


Rekenen met getallen

drei plus zwei ist gleich fünf = 3+2=5
sechs minus vier ist gleich zwei = 6-4=2
acht mal sieben ist gleich sechsundfünfzig = 8x7=56
neinzig (geteilt) durch zehn ist gleich nein = 90:10=9

Breuken worden gevormd door hoofdtelwoord gevolgd door rangtelwoord + letter L (behalve 1/2 en ein i.p.v. eins)

einhalb / eins durch zwei = een tweede / een half/halve
ein drittel = een derde
zwei drittel = twee derde
ein viertel = een vierde / een kwart
drei viertel = drie kwart
ein fünftel = een vijfde
acht elftel = acht elfde

die Hälfte = de helft
halb = half
das Doppelte = het dubbele
doppelte = dubbel