Dieren
QUIZZEN: dieren Duits-Nederlands deel 1 of deel 2
QUIZZEN: dieren Nederlands-Duits deel 1 of deel 2
Dieren (deel 1)
Duits Nederlands
Katze kat
Hund (m) [+e] hond
Fisch (m) vis
Vogel (m) [Vögel] vogel
Kuh (f) [Kühe] koe
Stier (m) [+e] stier
Bulle (m) Z stier
Schaf schaap
Schwein varken
Pferd paard
Huhn (n) [Hühner] kip
Henne hen
Hahn haan
Küken kuiken
Kaninchen konijn
Ente eend
Esel (m) ezel
Ziege geit
(Ziegen)bock (geiten)bok
Hirsch (m) hert
Hamster (m) hamster
Maus (f) [Mäuse] muis
Ratte rat
Fuchs (m) vos
Wolf (m) wolf
Frosch (m) kikker
Eichhörnchen eekhoorn
Hase (m) Z haas
Igel (m) egel
Elefant (m) Z olifant
Nashorn (n) [-hörner] neushoorn
Flusspferd nijlpaard
Nilpferd nijlpaard
Giraffe giraffe
Löwe (m) Z leeuw
Tiger (m) tijger
Affe (m) Z aap
Zebra (n) zebra
Bär (m) Z beer
Eisbär Z ijsbeer
Polarbär Z ijsbeer
Pinguin (m) pinguïn
Känguru (n) kangoeroe
Pfau (m) [+e(n)] pauw
Schwan (m) zwaan
Gans (f) [Gänse] gans
Papagei (m) [+en] papegaai
Taube duif
Krokodil (n) krokodil
Schlange slang
Schildkröte schildpad
Wal (m) [+e] walvis
Delfin, Delphin (m) dolfijn
Seehund [+e] zeehond
Hai(fisch) (m) [+e] haai
Qualle kwal
Krabbe krab

Dieren (deel 2)
Duits Nederlands
Spinne spin
Wurm (m) worm
Raupe rups
Schmetterling vlinder
Schnecke slak
Ameise mier
Mücke mug
Fliege vlieg [o.a. ook: vlinderdas]
Biene bij
Wespe wesp
Hummel (f) hommel
Marienkäfer (m) lieveheersbeestje
Heuschrecke sprinkhaan
Grashüpfer (m) sprinkhaan [informeel]
Grille krekel
Tausendfüßer/-füßler (m) duizendpoot
Meerschweinchen (n) cavia
Kröte pad
Fledermaus [Mäuse] vleermuis
Ameisenbär Z miereneter
Truthuhn [-Hühner] (n) kalkoen
Pute (m: +r) kalkoen
Storch (m) ooievaar
Reiher (m) reiger
Eule uil
Maulwurf (m) mol [ook fig.: spion, infiltrant]
Otter (m) otter [als vrw. woord ook: adder]
Biber (m) bever
Krebs (m) kreeft [ook: kanker]
Hummer (m) kreeft
Garnele garnaal [ook culinair]
Panda (m) panda
Koala (m) koala
Floh (m) vlo
Laus (f) [Läuse] luis
Zecke teek
Milbe mijt
Säugetier zoogdier
Säuger (m) zoogdier
Primat (m) [+en] primaat
Reptil (n) [+ien] reptiel
Kriechtier reptiel, kruipdier
Amphibie amfibie
Lurch (m) [+e] amfibie
Insekt (n) [+en] insect
Kerbtier insect
Weichtier weekdier
Molluske weekdier
Beuteltier buideldier
Raubvogel (m) [-Vögel] roofvogel
Vieh vee
Haustier huisdier [gedomesticeerd dier]
Heimtier huisdier [gezelschapsdier]
Nagetier knaagdier
Nager (m) knaagdier
Raubtier roofdier
Beute prooi [ook: buit; bijenkast]
Kätzchen kitten, katje/poesje
Katzenjunges (n) [-e(n)] kitten
Welpe (m) Z welp [vos, wolf]; puppy
Kalb [Kälber] kalf [ook culinair]
Lamm [Lämmer] lam
Fohlen veulen
Hengst hengst
Stute merrie