Bijwoorden - die Adverbien / Umstandswörter
QUIZZEN: bijwoorden Duits-Nederlands deel 1 of deel 2
QUIZZEN: bijwoorden Nederlands-Duits deel 1 of deel 2
Bijwoorden (deel 1)
Duits Nederlands
auch ook
nicht niet
immer altijd
nie(mals) nooit
je(mals) ooit
jetzt nu, nou
nun nu, nou
einmal een keer, eens, ooit
meistens meestal
selten zelden
oft vaak
häufig vaak
manchmal soms
gelegentlich af en toe, soms
viel veel
wenig weinig
ein bisschen een beetje
sehr zeer, erg, heel
ganz heel, nogal [als bijv.nw.: (ge)heel]
fast bijna
etwa ongeveer
ungefähr ongeveer
vielleicht misschien, wellicht
hier hier
da daar, er
dort daar
hin heen
zurück terug
rückwärts achteruit
außerdem bovendien
lieber liever
ziemlich nogal, tamelijk
vor allem vooral, bovenal
insbesondere in het bijzonder, vooral
besonders in het bijzonder, vooral, buitengewoon
wirklich werkelijk, heus
selbstverständlich vanzelfsprekend
noch nog, noch
dann dan
denn dan [als voegwoord: want]
so zo
wieder weer
erneut opnieuw
eben even, zojuist, gewoon ['nu eenmaal'] [als bijv.nw.: vlak, effen]
vorhin daarnet, zojuist
sofort onmiddellijk, meteen
gleich onmiddellijk, meteen [ook: gelijk]
gerade nu, zojuist, net, juist [ook: recht; even (getal)]
neulich laatst, onlangs
kürzlich laatst, onlangs
damals destijds, toentertijd
nachher later, daarna
später later
bald gauw, binnenkort
demnächst weldra, binnenkort
kaum nauwelijks
zusammen samen
leider helaas
sonst anders, in het andere geval
anders anders, op andere wijze
nämlich namelijk
das heißt dat wil zeggen
schon al, reeds
bereits al, reeds
genug genoeg
allerdings weliswaar; inderdaad
nur slechts, alleen, maar
bisher tot nu toe
bislang tot nu toe
gern(e) graag

Bijwoorden (deel 2)
Duits Nederlands
vorher (van) tevoren, vooraf, eerst
ab und zu af en toe
sogar zelfs
selbst zelfs [ook: zelf]
inzwischen inmiddels, ondertussen
mittlerweile inmiddels, ondertussen
mehr oder weniger min of meer
rund ongeveer, circa [als bijv.nw.: rond]
annähernd ongeveer, bij benadering
jedenfalls in elk geval, hoe dan ook
auf jeden Fall in elk geval, hoe dan ook
zumindest op zijn minst; tenminste, althans
wenigstens op zijn minst; tenminste
mindestens minstens, op zijn minst
irgendwo ergens, waar (dan) ook
nirgendwo nergens
nirgends nergens
überall overal
momentan momenteel; kortstondig [als bijv.nw.: huidig]
zurzeit op dit moment, momenteel
derzeit tegenwoordig, momenteel [verouderd: destijds]
zum Glück gelukkig(erwijs)
glücklicherweise gelukkig(erwijs)
eigentlich eigenlijk
tatsächlich inderdaad, (daad)werkelijk
in der Tat inderdaad
anderswo elders
woanders elders
drüben daarginds, aan de overkant
schließlich ten slotte, (uit)eindelijk
übrigens overigens, trouwens
immerhin tenminste; desondanks; tenslotte
allmählich geleidelijk
zunächst in de eerste plaats; eerst, aanvankelijk; voorlopig
ebenfalls eveneens, evenzo
gleichfalls eveneens, evenzo
genauso net zo, evengoed
beinah(e) bijna
nahezu nagenoeg, vrijwel
keineswegs geenzins, allerminst, allesbehalve
gar nicht helemaal niet
überhaupt nicht helemaal niet
gewöhnlich gewoonlijk
normalerweise gewoonlijk
üblicherweise gewoonlijk
möglicherweise mogelijk(erwijs)
wahrscheinlich waarschijnlijk
wohl (waarschijnlijk) wel; goed
hoffentlich hopelijk
stattdessen in plaats daarvan
weiter verder
unbedingt beslist, absoluut [als bijv.nw.: onvoorwaardelijk]
sicherlich zeker, beslist, ongetwijfeld
überhaupt in/over het algemeen, helemaal, eigenlijk
oben boven
unten beneden
längst allang [+'nicht': lang (niet)]
stets steeds
ständig voortdurend [als bijv.nw.: permanent]
oftmals vaak, herhaaldelijk





Voegwoordelijke bijwoorden
Duits Nederlands
also dus
einerseits aan de ene kant, enerzijds
andererseits aan de andere kant, anderzijds
anschließend aansluitend, daarna
beziehungsweise respectievelijk, dan wel; of beter gezegd
dabei daarbij, erbij; terwijl, alhoewel
dadurch daardoor [beweging; oorzaak]
dafür daarvoor, ervoor [doel; beloning]
dagegen daartegen, ertegen; daarentegen; daarbij vergeleken
darum daarom, erom, eromheen
davor daarvoor, ervoor [plaats; tijd; houding t.o.v. iets]
dazu daartoe, ertoe; daarvoor, ervoor; daarbij, erbij
dennoch toch, nochtans, evenwel, niettemin
deshalb derhalve, daarom
deswegen derhalve, daarom
entweder ... oder of(wel) ... of
jedoch echter, maar, evenwel, toch
trotzdem toch, nochtans, niettemin
weder ... noch (noch ...) noch ...
zuerst eerst, als eerste, aanvankelijk, voor het eerst
zuvor (van) tevoren, vooraf, eerst
zwar weliswaar
und zwar namelijk




Voornaamwoordelijke bijwoorden

Het voornaamwoordelijke bijwoord, das Pronominaladverb, komt vooral voor in West-Germaanse talen. Het is een samengesteld bijwoord dat een voorzetsel bevat.

In het Duits kunnen drie bijwoorden, da, hier en wo, met negentien verschillende voorzetsels worden gecombineerd.
Het voorzetsel wordt achteraan geplaatst en als die begint met een klinker dan wordt tussen da en wo en het voorzetsel een letter r toegevoegd (bijv. darauf, hierauf).

Sommige voornaamwoordelijke bijwoorden met da kunnen voegwoordelijk worden gebruikt (zie voorgaande tabel).
De vormen met wo kunnen als betrekkelijk voornaamwoord worden gebruikt.

Voornaamwoordelijke bijwoorden
voorzetsel da + voorzetsel hier + voorzetsel wo + voorzetsel
bei dabei hierbei wobei
durch dadurch hierdurch wodurch
für dafür hierfür wofür
gegen dagegen hiergegen wogegen
hinter dahinter hierhinter wohinter
mit damit hiermit womit
nach danach hiernach wonach
neben daneben hierneben woneben
an daran hieran woran
auf darauf hierauf worauf
aus daraus hieraus woraus
in darin hierin worin
über darüber hierüber worüber
um darum hierum worum
unter darunter hierunter worunter
von davon hiervon wovon
vor davor hiervor wovor
zu dazu hierzu wozu
zwischen dazwischen hierzwischen wozwischen