Bijwoorden - die Adverbien / Umstandswörter
QUIZ: bijwoorden Duits-Nederlands
QUIZ: bijwoorden Nederlands-Duits
Bijwoorden
Duits Nederlands
auch ook
nicht niet
immer altijd
nie(mals) nooit
je(mals) ooit
jetzt nu, nou
nun nu, nou
einmal een keer, eens, ooit
meistens meestal
selten zelden
oft vaak
häufig vaak
manchmal soms
gelegentlich af en toe, soms
vollständig helemaal, volledig
viel veel
wenig weinig
ein bisschen een beetje
sehr zeer, erg, heel
ganz heel, nogal
fast bijna
etwa ongeveer
ungefähr ongeveer
vielleicht misschien, wellicht
hier hier
da daar, er
dort daar
hin heen
zurück terug
rückwärts achteruit
außerdem bovendien
lieber liever
ziemlich nogal, tamelijk
vor allem vooral, bovenal
insbesondere in het bijzonder, vooral
besonders in het bijzonder, vooral, buitengewoon
wirklich werkelijk, heus
selbstverständlich vanzelfsprekend
noch nog, noch
dann dan
denn dan [als voegwoord: want]
so zo
wieder weer
erneut opnieuw
eben even, zojuist, gewoon [ook: effen]
vorhin daarnet, zojuist
sofort onmiddellijk, meteen
gleich onmiddellijk, meteen [ook: gelijk]
gerade nu, zojuist, net, juist [ook: recht; even (getal)]
neulich laatst, onlangs
kürzlich laatst, onlangs
damals destijds, toentertijd
nachher later, daarna
später later
bald gauw, binnenkort
demnächst weldra, binnenkort
kaum nauwelijks
zusammen samen
leider helaas
sonst anders, in het andere geval
anders anders, op andere wijze
nämlich namelijk
das heißt dat wil zeggen
schon al, reeds
bereits al, reeds
genug genoeg
allerdings weliswaar; inderdaad
nur slechts, alleen, maar
bisher tot nu toe
bislang tot nu toe
gern(e) graag





Bijwoorden (extra)
Duits Nederlands
momentan momenteel
zurzeit momenteel
derzeit tegenwoordig
recht nogal [ook: rechtvaardig, juist]
jedenfalls, auf jeden Fall in elk geval, hoe dan ook
kurzum, kurz gesagt kortom
stattdessen in plaats daarvan
in der Tat inderdaad
tatsächlich inderdaad, (daad)werkelijk
ebenfalls eveneens, evenzo
gleichfalls eveneens, evenzo
überall overal
irgendwo ergens, waar dan ook
nirgendwo, nirgends nergens
danach daarna; daarnaar
darauf daarop, erop
ab und zu af en toe
gewöhnlich gewoonlijk
normalerweise normalerwijze
möglicherweise mogelijkerwijs, misschien
wahrscheinlich waarschijnlijk
wohl (waarschijnlijk) wel; goed
nahezu nagenoeg, vrijwel
hoffentlich hopelijk
seitdem [ook voegwoord] sindsdien
seither sindsdien
letztlich uiteindelijk
egal ongeacht, onverschillig, om het even
genauso net zo, evengoed
heutzutage vandaag de dag, tegenwoordig
gewissermaßen in zekere zin, zogezegd, tot op zekere hoogte
stets steeds, altijd
quer dwars
eigentlich eigenlijk
daheim thuis
beinahe bijna
sogar zelfs
selbst zelfs [ook: zelf]
mittlerweile inmiddels, ondertussen, intussen
unbedingt beslist, absoluut
insgesamt in totaal; al bij/met al
beispielsweise bijvoorbeeld
unterwegs onderweg
überhaupt in/over het algemeen, helemaal, eigenlijk
sicherlich zeker, beslist, ongetwijfeld, vast en zeker
teilweise gedeeltelijk, ten dele
weiter verder
zunächst in de eerste plaats; aanvankelijk
vortan voortaan
heran [soms verkort: ran] hierheen, nader
vorweg, vorneweg vooraf; voorop; vooral
abseits afzijdig, achteraf, ver van
hinein naar binnen, erin
hinunter naar beneden, neer, omlaag
hinterher achterna, erachteraan; achteraf, naderhand
übrigens overigens, trouwens
irgendwann ooit, eens
sicherheitshalber voor de veiligheid/zekerheid
einigermaßen enigszins
umgehend onmiddellijk
augenblicklich ogenblikkelijk, onmiddellijk; momenteel
unmittelbar onmiddellijk, rechtstreeks, direct
mittelbar indirect
miteinander samen, met elkaar
auswendig vanbuiten, uit het hoofd
endlich (uit)eindelijk
mitten midden
anschließend aansluitend, daarna
zuletzt ten slotte; de laatste keer, voor het laatst
vor Ort ter plaatse, ter plekke
wiederum opnieuw, nog eens; anderzijds
zumindest op z'n minst; tenminste, althans
vorerst voorlopig, voor nu, vooreerst
sozusagen als het ware, zeg maar, (om) zo te zeggen
vermutlich vermoedelijk, waarschijnlijk
nebeneinander naast elkaar; tegelijkertijd
versehentlich onopzettelijk, per ongeluk
umher rond(om), in het rond
bloß toch, gewoon
durchaus volstrekt, beslist
im Nachhinein achteraf, naderhand
irgendwie op een of andere manier, hoe dan ook
nebenher, nebenbei tevens, daarnaast, terloops
erstmals voor het eerst
längst allang, sinds lang
notfalls desnoods
auf Anhieb meteen, bij de eerste poging
überwiegend overwegend, voornamelijk, hoofdzakelijk
allseits van alle kanten, alom, overal
jederzeit te allen tijde





Voegwoordelijke bijwoorden
Duits Nederlands
also dus
einerseits aan de ene kant, enerzijds
andererseits aan de andere kant, anderzijds
anschließend aansluitend, daarna
beziehungsweise respectievelijk, dan wel; of beter gezegd
dabei daarbij, erbij; terwijl, alhoewel
dadurch daardoor [beweging; oorzaak]
dafür daarvoor, ervoor [doel; beloning]
dagegen daartegen, ertegen; daarentegen; daarbij vergeleken
darum daarom, erom, eromheen
davor daarvoor, ervoor [plaats; tijd; houding t.o.v. iets]
dazu daartoe, ertoe; daarvoor, ervoor; daarbij, erbij
dennoch toch, nochtans, evenwel, niettemin
deshalb derhalve, daarom
deswegen derhalve, daarom
entweder ... oder of(wel) ... of
immerhin tenminste; desodanks; tenslotte
inzwischen intussen, ondertussen
jedoch echter, maar, evenwel, toch
schließlich ten slotte, (uit)eindelijk
trotzdem toch, nochtans, niettemin
vorher (van) tevoren, vooraf, eerst
weder ... noch (noch ...) noch ...
zuerst eerst, als eerste, aanvankelijk, voor het eerst
zuvor (van) tevoren, vooraf, eerst
zwar weliswaar
und zwar namelijk




Voornaamwoordelijke bijwoorden

Het voornaamwoordelijke bijwoord, das Pronominaladverb, komt vooral voor in West-Germaanse talen. Het is een samengesteld bijwoord dat een voorzetsel bevat.

In het Duits kunnen drie bijwoorden, da, hier en wo, met negentien verschillende voorzetsels worden gecombineerd.
Het voorzetsel wordt achteraan geplaatst en als die begint met een klinker dan wordt tussen da en wo en het voorzetsel een letter r toegevoegd (bijv. darauf, hierauf).

Sommige voornaamwoordelijke bijwoorden met da kunnen voegwoordelijk worden gebruikt (zie voorgaande tabel).
De vormen met wo kunnen als betrekkelijk voornaamwoord worden gebruikt.

Voornaamwoordelijke bijwoorden
voorzetsel da + voorzetsel hier + voorzetsel wo + voorzetsel
bei dabei hierbei wobei
durch dadurch hierdurch wodurch
für dafür hierfür wofür
gegen dagegen hiergegen wogegen
hinter dahinter hierhinter wohinter
mit damit hiermit womit
nach danach hiernach wonach
neben daneben hierneben woneben
an daran hieran woran
auf darauf hierauf worauf
aus daraus hieraus woraus
in darin hierin worin
über darüber hierüber worüber
um darum hierum worum
unter darunter hierunter worunter
von davon hiervon wovon
vor davor hiervor wovor
zu dazu hierzu wozu
zwischen dazwischen hierzwischen wozwischen