Bijvoeglijke naamwoorden - die Adjektive
QUIZ: bijvoeglijke naamwoorden Duits-Nederlands
QUIZ: bijvoeglijke naamwoorden Nederlands-Duits
Bijvoeglijke naamwoorden
Duits Nederlands
neu nieuw
alt oud
jung jong
groß groot
klein klein
gut goed
schlecht slecht
richtig goed (correct)
falsch fout (incorrect), onecht
schön mooi
hässlich lelijk
toll leuk
lang lang
kurz kort
hoch hoog
niedrig laag
tief diep
breit, weit breed, wijd
schmal smal
dick dik
dünn dun
fett vet
mager mager
schwer zwaar, moeilijk
leicht licht, gemakkelijk
voll vol
leer leeg
stark sterk
schwach zwak
schlaff slap
klug slim, intelligent
dumm dom
echt echt, authentiek
lieb lief
gemein gemeen
wahr waar
unwahr onwaar
schnell snel
langsam langzaam
früh vroeg
spät laat
hart hard
weich zacht, week
laut luid
leise zacht, stil
schwierig moeilijk
einfach gemakkelijk, eenvoudig
bereit klaar, (voor)bereid
fertig klaar, voltooid
teuer duur
billig goedkoop
sauber schoon
schmutzig vies, vuil, smerig
reich rijk
arm arm
warm warm
kalt koud
nass nat
trocken droog


Bijvoeglijk naamwoord met zwakke of overwegend zwakke verbuiging
naamval mannelijk vrouwelijk onzijdig meervoud
Nominativ -e(r) -e -e(s) -en
Genitiv -en -en -en -en
Dativ -en -en -en -en
Akkusativ -en -e -e(s) -en

Bijles Duits: uitlegvideo en oefeningen (zie les 16)

Bijvoeglijk naamwoord met sterke verbuiging
naamval mannelijk vrouwelijk onzijdig meervoud
Nominativ -er -e -es -e
Genitiv -en -er -en -er
Dativ -em -er -em -en
Akkusativ -en -e -es -e