Bijvoeglijke naamwoorden - die Adjektive
QUIZZEN: bijvoeglijke naamwoorden Duits-Nederlands deel 1 of deel 2 of deel 3 of deel 4
QUIZZEN: bijvoeglijke naamwoorden Nederlands-Duits deel 1 of deel 2 of deel 3 of deel 4
Bijvoeglijke naamwoorden (deel 1)
Duits Nederlands
neu nieuw
alt oud
jung jong
groß groot
klein klein
gut goed
schlecht slecht
richtig goed [correct]
falsch fout [incorrect], onecht
schön mooi
hässlich lelijk
toll leuk
lang lang
kurz kort
hoch hoog
niedrig laag
tief diep
breit breed
schmal smal
dick dik
dünn dun
fett vet
mager mager
schwer zwaar, moeilijk
leicht licht, gemakkelijk
voll vol
leer leeg
stark sterk
schwach zwak
schlaff slap
klug slim, intelligent
dumm dom
echt echt, authentiek
lieb lief
gemein gemeen
wahr waar
unwahr onwaar
schnell snel
langsam langzaam
früh vroeg
spät laat
hart hard
weich zacht, week
laut luid
leise zacht, stil
schwierig moeilijk
einfach gemakkelijk, eenvoudig
bereit klaar, (voor)bereid
fertig klaar, voltooid
teuer duur
billig goedkoop
sauber schoon
schmutzig vies, vuil, smerig
reich rijk
arm arm
warm warm
kalt koud
nass nat
trocken droog
offen open
geschlossen gesloten, dicht
dicht dicht; dichtbij
nah, nahe dichtbij, nabij
fern ver(af)
weit wijd; ver(af)

Bijvoeglijke naamwoorden (deel 2)
Duits Nederlands
platt plat
flach vlak, plat, laag, ondiep
gerade recht [ook: even (getal); als bijw.: nu, zojuist]
krumm krom
gleich gelijk, identiek, dezelfde, hetzelfde [als bijw.: onmiddellijk]
ähnlich soortgelijk, vergelijkbaar, dergelijk
unterschiedlich verschillend
verschieden verschillend
künstlich kunstmatig
kaputt kapot, stuk, gebroken
steil steil
frisch vers, fris
kühl koel
(un)bekannt (on)bekend
fremd vreemd, onbekend, buitenlands, andermans
seltsam vreemd, eigenaardig
(un)möglich (on)mogelijk
letzte laatste
soundsovielte zoveelste
wertvoll waardevol, kostbaar
kostbar waardevol, kostbaar
nützlich nuttig, bruikbaar
nutzlos nutteloos, onbruikbaar
gültig geldig
gefährlich gevaarlijk
gegenseitig wederzijds, wederkerig
wechselseitig wederzijds, wederkerig
selten zeldzaam [als bijw.: zelden]
knapp schaars; krap
beeindruckend indrukwekkend
eindrucksvoll indrukwekkend
simpel simpel
frei vrij
genau precies, nauwkeurig, exact
präzis(e) precies, nauwkeurig, exact
exakt precies, nauwkeurig, exact
normal normaal
üblich gebruikelijk, gewoon
allgemein algemeen
wichtig belangrijk
interessant interessant
kompliziert ingewikkeld
langweilig vervelend, saai
nervig vervelend, lastig, irritant [informeel; ook: gespierd, krachtig]
köstlich heerlijk, smakelijk, verrukkelijk
berühmt beroemd
berüchtigt berucht
kahl kaal
glatzköpfig kaal [hoofd]
betrunken dronken
besoffen dronken [informeel]
hübsch knap, mooi, leuk
grausam wreed, gruwelijk
vulgär grof, vulgair
schlau sluw, slim
bescheiden bescheiden [als werkwoord o.a.: een belissing meedelen]
lustig grappig, leuk, plezierig, vrolijk
witzig grappig, geestig, gevat
komisch grappig, komisch, vreemd, raar
nett aardig, leuk, vriendelijk
sympathisch aardig, sympathiek
(un)angenehm (on)aangenaam, (on)prettig

Bijvoeglijke naamwoorden (deel 3)
Italiaans Nederlands
ganz heel, geheel [als bijw.: heel, nogal]
gesamt geheel, totaal, al(le)
offensichtlich duidelijk; blijkbaar, kennelijk
offenbar duidelijk; blijkbaar, kennelijk
scharf scherp [breed gebruik, betekent o.a. ook 'geil']
stumpf bot, stomp
direkt direct, rechtstreeks, onmiddellijk
unmittelbar direct, rechtstreeks, onmiddellijk
sozial sociaal, maatschappelijk
gesellschaftlich sociaal, maatschappelijk
gemeinsam gemeenschappelijk, gezamenlijk
öffentlich openbaar, publiek
neugierig nieuwsgierig
gratis gratis, kosteloos
kostenlos gratis, kosteloos
kostenfrei gratis, kosteloos
unentgeltlich onbetaald, gratis, kosteloos
rund rond
(un)ehrlich (on)eerlijk
(un)aufrichtig (on)oprecht
(un)geduldig (on)geduldig
glatt glad, effen, glibberig
schlüpfrig glad, glibberig; schunnig, schuin, dubbelzinnig
rutschig glad, glibberig
glitschig glad, glibberig [informeel]
fähig bekwaam, capabel, in staat
großzügig vrijgevig, gul; weids, ruim
lebend(ig) levend
tot dood
unordentlich slordig, rommelig, wanordelijk
ansteckend besmettelijk, aanstekelijk
verfügbar beschikbaar
außergewöhnlich buitengewoon, uitzonderlijk, bijzonder
außerordentlich buitengewoon, uitzonderlijk, bijzonder
speziell bijzonder, speciaal, specifiek
besondere bijzonder, speciaal, specifiek
spezifisch specifiek
einzeln afzonderlijk, enkel
gesondert afzonderlijk, apart
einzig enig, uniek
einzigartig uniek, uitzonderlijk
einmalig eenmalig, uniek
schmerzhaft pijnlijk [lichamelijk]
schmerzlich pijnlijk [geestelijk]
schlimm erg, slecht, verdorven, pijnlijk
wunderbar prachtig, schitterend, geweldig; wonderbaarlijk
wundervoll prachtig, schitterend, geweldig
wunderschön prachtig, schitterend, beeldschoon
großartig geweldig, groots
freiwillig vrijwillig [uit vrije wil]
ehrenamtlich vrijwillig, onbezoldigd [onbetaald]
entgegengesetzt tegenovergesteld, tegengesteld
gegensätzlich tegenovergesteld, tegengesteld
umgekehrt omgekeerd
(un)schuldig (on)schuldig
harmlos onschuldig, ongevaarlijk, onschadelijk
anstößig beledigend, aanstootgevend
töricht dwaas, dom
weise wijs
vernünftig verstandig, rationeel

Bijvoeglijke naamwoorden (deel 4)
Duits Nederlands
lecker lekker
bestimmt bepaald, precies, beslist [ook bijw.]
gewiss zeker, bepaald [ook bijw.]
unbedingt onvoorwaardelijk [als bijw.: beslist, absoluut]
aufrecht rechtop, overeind; oprecht, eerlijk
eklig weerzinwekkend, walgelijk, akelig
ekelhaft weerzinwekkend, walgelijk, akelig
widerwärtig weerzinwekkend, walgelijk, afschuwelijk
widerlich weerzinwekkend, walgelijk, afschuwelijk
furchtbar vreselijk, verschrikkelijk
schrecklich vreselijk, verschrikkelijk
entsetzlich vreselijk, veschrikkelijk
persönlich persoonlijk
sicher zeker, veilig, zelfbewust
fest vast, stevig
locker los, losjes
lose los [niet vast; niet verpakt]
ausgezeichnet uitstekend, voortreffelijk, uitmuntend
hervorragend uitstekend, voortreffelijk, uitmuntend
herausragend uitstekend, voortreffelijk, uitmuntend
korrekt correct
offiziell officieel
ernst(haft) ernstig, serieus
komplett compleet
vollständig volledig, helemaal, compleet
völlig volledig, helemaal, volkomen
finster duister, donker
blind blind
taub doof; verdoofd, gevoelloos
gehörlos doof
nackt naakt
bloß bloot; louter, enkel [als partikel: toch]
sanft zacht, zachtaardig, teder, mild, licht
zart zacht, teder, teer, zwak, tenger, fragiel
ständig permanent, vast [als bijw.: voortdurend]
zusätzlich bijkomend, aanvullend, extra
übrig overig, over(blijvend)
blöd(e) dom, stom
doof dom, stom [informeel]
albern dom, stom
plötzlich plotseling, abrupt
abrupt plotseling, abrupt
schlagartig plotseling, abrupt
verrückt gek, gestoord, krankzinnig
irre gek, gestoord, krankzinnig
anspruchsvoll hoogwaardig; veeleisend
ehemalig voormalig
damalig toenmalig
überraschend verrassend
erstaunlich verbazingwekkend
emotional, emotionell emotioneel
entsprechend passend, gepast; bevoegd, daarvoor aangewezen [als vz.: overeenkomstig]
angemessen passend, gepast
aktuell actueel, huidig
individuell individueel
fraglich twijfelachtig, onzeker; desbetreffend
zweifelhaft twijfelachtig, onzeker; dubieus
atemberaubend adembenemend
erhältlich verkrijgbaar
öde saai, vervelend; verlaten, woest [landschap]