Basisgesprek
- Zelfgemaakte Sporcle-quiz (typ): basisgesprek Nederlands-Duits (eerste vier tabellen)


Begroeting
Duits Nederlands
hallo
hallo
tschüss
doei
auf Wiedersehen
tot ziens
willkommen
welkom
bis später
tot later
bis bald
tot gauw
bis zum nächsten Mal
tot de volgende keer
bis morgen
tot morgen
guten Tag
goedendag / goedemiddag
guten Morgen
goedemorgen
guten Abend
goedenavond
gute Nacht
goedenacht [voor het slapengaan]

Opmerking:
- in delen van Noord-Duitsland wordt de groet 'moin' gebruikt als alternatief voor 'hallo'


Omgangstaal (basis)
Duits Nederlands
ja
ja
nein
nee
ich weiß nicht
ik weet niet
vielleicht
misschien
vielen Dank, danke (schön/sehr)
(erg) bedankt
bitte
alsjeblieft, graag gedaan, pardon ['wat zegt u?']


Vragen stellen (kennismaking)
Duits Nederlands
Wie geht es dir?
Hoe gaat het met jou?
Wie geht es Ihnen?
Hoe gaat het met u?
Und dir?
En met jou?
Und Ihnen?
En met u?
Wie heißt du?
Hoe heet jij?
Wie heißen Sie?
Hoe heet u?
Wie ist dein Name?
Wat ['hoe'] is jouw naam?
Wie ist Ihr Name?
Wat ['hoe'] is uw naam?
Wie alt bist du? Hoe oud ben jij?
Wie alt sind Sie? Hoe oud bent u?
Wo wohnst du?
Waar woon jij?
Wo wohnen Sie?
Waar woont u?
Woher kommst du?
Waar kom jij vandaan?
Woher kommen Sie?
Waar komt u vandaan?


Vragen beantwoorden (kennismaking)
Duits Nederlands
(Es geht mir) gut. (Het gaat) goed (met mij).
Ich heiße .. Ik heet ..
Mein Name ist .. Mijn naam is ..
Ich bin .. Jahre alt. Ik ben .. jaar oud.
Ich wohne in .. Ik woon in ..
Ich komme aus den Niederlanden.
Ik kom uit Nederland.


Nadere kennismaking
Duits Nederlands
Freut mich dich/Sie kennen zu lernen
Aangenaam kennis (met jou/u) te maken.
Wie geht's?
Hoe gaat het? [informeel]
Wie fühlst du dich?
Hoe voel je je?
Alles in Ordnung?
Alles goed? / Alles in orde?
Alles Gute!
Het beste! / Beste wensen!
Sprechen Sie Englisch?
Spreekt u Engels?
Was machst du in deiner Freizeit?
Wat doe je in je vrije tijd?
Was sind deine Hobbys?
Wat zijn je hobby's?
Ich interessiere mich für...
Ik ben geïnteresseerd in...
Naturwissenschaften,Geschichte,Philosophie
Natuurwetenschappen, geschiedenis, filosofie.
Ich spiele (Elektro)gitarre / E-Gitarre.
Ik speel (elektrische) gitaar.
Ich nehme Unterricht am Konservatorium.
Ik volg lessen op het conservatorium.
ich liebe klassische Musik.
Ik houd van klassieke muziek.
ich mag keine moderne Popmusik.
Ik vind moderne popmuziek niets aan.
Ich fahre regelmäßig auf meinem Rennrad.
Ik fiets regelmatig op mijn racefiets.
Ich schaue mir gerne Radfahren an. Ik kijk graag naar wielrennen.
Ich lerne Deutsch und Italienisch.
Ik leer Duits en Italiaans.
Arbeitest du oder studierst du?
Werk je of studeer je?
Was machen Sie beruflich?
Wat doet u voor werk?
Was studierst du denn?
Wat voor studie doe je (dan)?
Ich mache hier Urlaub.
Ik ben hier op vakantie.
Ich bin hier im Urlaub.
Ik ben hier op vakantie.


Omgangstaal (uitgebreider)
Duits Nederlands
Schlaf gut!
Slaap lekker! / Welterusten!
Viel Spaß!
Veel plezier!
Verstehst du (nicht)?
Begrijp je het (niet)?
Ich verstehe (das). / Das verstehe ich.
Ik begrijp het. / Dat begrijp ik.
Ach so.
Oh zo. / Ah oké. / Nu begrijp ik het.
Hast du (mich) verstanden?
Heb je het/mij begrepen?
Ich habe (dich) (nicht) verstanden.
Ik heb het/je (niet) begrepen.
(Es) tut mir Leid.
Het spijt me.
Entschuldigung.
Sorry.
Gern geschehen.
Graag gedaan.
Keine Ursache.
Geen probleem. / Het geeft niet. / Het is al goed.
Kein Problem. Graag gedaan. / Geen probleem.
Bitte sprechen Sie etwas langsamer.
Spreekt u alstublieft iets langzamer.
Wie bitte? Ich habe Sie nicht verstanden.
Sorry? Ik heb u niet verstaan/begrepen.
Können Sie das bitte wiederholen?
Zou u dat kunnen herhalen?
Können Sie das bitte für mich aufschreiben?
Zou u dat alstublieft voor mij kunnen opschrijven?
Was bedeutet... (das)?
Wat betekent... (dat)?
Wie sagt man das auf Deutsch?
Hoe zeg je dat in het Duits?
Ich stimme (dir) (nicht) zu.
Ik ben het (niet) met je eens.
Ich bin damit einverstanden.
Ik ben het daarmee eens.
Ich bin (mir) (nicht) sicher.
Ik weet het (niet) zeker.
Natürlich!
Uiteraard! / Natuurlijk!
Du hast Recht.
Je hebt gelijk.
Willkommen zurück!
Welkom terug!
Gut gemacht!
Goed gedaan!
(Herzlichen) Glückwunsch!
(Van harte) gefeliciteerd!
Gratuliere!
Gefeliciteerd!


Gesprek in eetgelegenheid
Duits Nederlands
Was möchten Sie essen/trinken?
Wat zou u willen eten/drinken?
Was möchten Sie bestellen?
Wat zou u willen bestellen?
Was hätten Sie gern (zum essen/drinken)?
Wat zou u (te eten/drinken) willen hebben?
Bitte? [opnemen bestelling]
Zegt u het maar.
Was darf's sein?
Wat mag het zijn? [opnemen bestelling]
Ich möchte (gern) ...
Ik zou graag ... willen hebben.
Ich hätte (gern) ...
Ik zou graag ... willen hebben.
Ich nehme ...
Ik neem ...
Haben Sie ...?
Heeft u ...?
Wo ist die Toilette? Waar is het toilet?
Herr Ober!
Ober!
Wir hätten gern die Speisekarte.
Mogen wij de menukaart?
Hat es Ihnen geschmeckt?
Heeft het u gesmaakt?
Wir möchten zahlen bitte. We willen graag betalen/afrekenen.
Zahlen Sie zusammen oder getrennt?
Betaalt u gezamenlijk of apart?
Das Trinkgeld
De fooi.